Zin en Waanzin van de Carnaval: Bespiegelingen over de driedaagse zotheid

Afgelopen weekeinde barstte in delen van Nederland en vele andere plaatsen in de wereld het jaarlijkse carnaval los. Dit jaarlijks terugkerend festijn heeft de eerste dertig jaar van mijn leven een belangrijke rol gespeeld. Het is me met de paplepel ingegoten. Als kind werd ik door mijn ouders meegenomen naar optochten en carnavalsfeesten en ook op school werd veel aandacht besteed aan het carnaval. Van november 1989 tot aan Aswoensdag in 1990 ben ik zelf door het leven gegaan als Prins Peter I van de Kasteelkolonie in Hoensbroek (Gebrook in het lokale dialect). Mijn laatste carnavalservaring was toen ik ongeveer tien jaar geleden een feest bijwoonde van De Limburger Kangaroos, een traditionele Limburgse carnavalsvereniging in Melbourne, Australië.

raad van elf

Prins Peter I en de raad van elf van de ‘Klotsköp van het Kasteël’ (Foto: Jan Prevos).

“Hollanders kunnen geen carnaval vieren”, werd me vaak verteld toen ik in Zuid-Limburg opgroeide. Als telg uit een carnavalistische familie leek me dit een zelf bevestigende uitspraak. Televisiebeelden van carnaval ‘boven de rivieren’ kwamen toch altijd wat kunstmatig over. Deze kleingeestige instelling heeft me echter nooit kunnen bekoren.

De vraag die in deze anekdote schuil gaat is een zoektocht naar de essentie van het carnaval. Het antwoord op dit probleem bleef me enkele decennia ontgaan. Pas na enkele jaren in Australië gewoond te hebben, heb ik voldoende extern perspectief gekregen om de essentie van dit feest, dat me nog steeds erg dierbaar is, te kunnen beschrijven.

In dit essay wordt getracht een antwoord te vinden op de vraag wat de essentie van het carnaval is. Op het eerste gezicht lijkt het om een driedaags excuus te gaan om zo veel mogelijk alcohol te drinken en de burgerlijke moraal op te schorten. Bij nadere beschouwing zal echter blijken dat het carnaval een psychologische functie heeft die juist in een postmoderne consumptiemaatschappij haar plaats heeft.

Oorsprong van het Carnaval

De oorsprong van het carnaval zoals we het nu kennen is niet eenduidig. Lokale schrijvers zoeken deze vaak in oude culturen en leggen verbanden met de Romeinse Saturnalia en gelijksoortige heidense feesten.1 ZIj doen dit om patriotische redenen—hoe ouder het carnaval, hoe ouder hun lokale cultuur. Volgens Barbara Ehrenreich zijn er vele voorbeelden in de geschiedenis van de wereldcultuur waar feesten die veel op het huidige carnaval lijken werden gevierd.2 De oorsprong van het carnaval zoals we het nu kennen dient echter gezocht te worden in de late middeleeuwen, toen zes weken voor Pasen de ‘Vastenavond’ werd gevierd.3

Pieter Breugel, De Strijd tussen Carnaval en Vasten (1559), olie op paneel. 118×164 cm, Kunsthistorisches Museum Wenen (Wikipedia.org, Public Domain).

Pieter Breugel, De Strijd tussen Carnaval en Vasten (1559), olie op paneel. 118×164 cm, Kunsthistorisches Museum Wenen.

Het middeleeuwse carnaval is uitgebeeld door Pieter Breugel de Oude in zijn Strijd tussen Carnaval en Vasten uit 1559. Op dit schilderij zien we de Prins Carnaval, zittend op een bierton en omgeven door feestgedruis terwijl rechts van hem het serene vasten is uitgebeeld, voortgetrokken door een monnik en een non, die het kerkelijke karakter van dit feest vertegenwoordigen.4

De tradities waar ik mee ben opgegroeid blijken echter niet eens zo oud te zijn. Het carnaval zoals we dat nu in Limburg kennen is pas in de negentiende eeuw uit het Duitse Rijnland overgekomen. Over het carnaval tijdens het Ancien Regime is niet veel bekend. De enige bronnen die ons ter beschikking staan zijn voornamelijk afkeurende beschrijvingen van de kerkelijke en wereldlijke machthebbers.5

Carnavalstradities in Nederland kunnen worden ingedeeld in een Rijnlandse en Bourgondische variant. Het Bourgondische carnaval wordt in Nederland voornamelijk gevierd in Noord-Brabant en delen van Zeeuws-Vlaanderen. In de rest van Nederland wordt het historisch meer recente Rijnlandse carnaval gevierd. Deze variant heeft zich in de negentiende eeuw vanuit Keulen naar het huidige Nederlands en Belgisch Limburg verspreid. ((Franssen, Carnaval ontmaskerd?)) Theo Fransen schrijft overigens dat het Bourgondische carnaval meer oorspronkelijk is voor de Nederlandse cultuur. ((Franssen, Carnaval ontmaskerd?)) Hij vergeet echter dat Limburg cultuurhistorisch gezien meer door het tegenwoordige Duitsland dan door Nederland beïnvloed is en dat het Rijnlandse carnaval aldus niet zo ‘culturfremd’ is als op het eerste gezicht lijkt.

Het carnaval werd in Keulen sinds de middeleeuwen georganiseerd door de gilden,maar met de opheffing van deze sociale structuur door de Franse bezetters viel het georganiseerde carnaval in een vacuüm. Nadat de Fransen in 1815 Pruisen verlieten is de eerste Raad van Elf door de gegoede burgers van Keulen opgericht.6

Straatcarnaval in Hoensbroek (Flickr.com, Creative Commons).

Straatcarnaval in Hoensbroek (Flickr.com, Creative Commons).

In de eerste helft van de negentiende eeuw werden in Zuid-Limburg al op Keulse leest geschoeide comités voor het organiseren van het carnaval, de latere Raden van Elf, opgericht. Pas sinds 1960 is het feest echter uitgegroeid tot het massale volksfeest dat het tegenwoordig is.7 In Zuid-Limburg ligt tegenwoordig het openbare leven enkele dagen vrijwel geheel plat en staat alles in het teken van het carnaval. Terwijl veel oude tradities langzaam verdwijnen en worden opgeslokt door commercie blijft het carnaval groeien. Alhoewel het religieuze belang steeds meer geërodeerd is, ontwikkelt de Limburgse carnavalscultuur zich gestaag.

Hoe kan het dat juist in deze postmoderne consumptiemaatschappij dit eeuwenoude volksfeest zo uitbundig gevierd wordt?

Symboliek van de carnaval

Het contemporaine Rijnlandse carnaval is ingebed in een symboliek van de omgekeerde alledaagse orde.8 Het zijn drie dagen waar de normale gang van zaken en de sociale structuren niet meer gelden en de waanzin het van de rede overneemt. De Raad van Elf en Prins Carnaval zijn de culturele middelaars van het carnaval, opererend in het spanningsveld tussen de wereld van alledag en de omgekeerde wereld van de carnaval. Niet de burgemeester en de gemeenteraad, maar Prins Carnaval met zijn Raad van Elf ‘regeren’ tijdens de carnaval over de stad, het dorp of de buurt. Dit wordt in verschillende plaatsen symbolisch uitgebeeld door aan het begin van de carnaval de sleutel van de stad aan Prins Carnaval over te dragen.

De uitdossing van de Raad van Elf en hun prins zijn symbolen van deze omkering. De steek die door de Raad van Elf en Prins Carnaval wordt gedragen is in essentie een narrenkap en symboliseert dat de zotheid regeert. De narrenkap wordt gecontrasteerd met een driedelig pak om zo het verschil tussen de normale maatschappelijke orde en de dagen van het carnaval te accentueren. De prins onderscheidt zich van de Raad van Elf door zijn cape, scepter en fazantenveren op zijn narrenkap.9 De staf kan gezien worden als een marot, de stok die traditioneel door narren gedragen wordt. De staf is echter een deel van de prinselijke regalia en is een uitdrukking van de symbolische macht die de prins heeft over het carnaval. Laatste aspect van de uitdossing van de Raad van Elf en hun prins is de ketting. De schakels van de ketting symboliseren de verbondenheid van de raad en voor de prins is het een uitdrukking van de symbolische macht over het carnaval, zoals de wereldlijke macht van de burgemeester ook door een ketting wordt weergegeven. Het Rijnlandse carnaval kan als het ware gezien worden als een dalend cultuurgoed waarbij een hoofse cultuur wordt nagebootst.

Kenmerkend aan de overige carnavalisten is dat zij zich verkleden om zo de alledaagse identiteit tijdelijk opzij te zetten. De totale uitdossing is een ‘masker’ waarachter de alledaagse identiteit verborgen wordt om zo zich zo zonder schaamte te kunnen laten gaan. Ook in het carnaval worden echter de grenzen van het betamelijke aangehouden, hetgeen in Maastricht wordt beaamd met het motto “Gekheid, mer neet boete de schroam” (Gekheid, maar niet buiten de schaamte).10 Alhoewel de alledaagse persoonlijke identiteit verborgen wordt achter het ‘masker’, is het verkleden in het contemporaine carnaval een ultieme uitdrukking van individualiteit. Er wordt vaak veel aandacht besteed aan hoe men zich presenteert en sommige carnavalisten zijn maanden bezig met het ontwerpen en vervaardigen van het ultieme kostuum.

Het tijdelijke verliezen van de eigen identiteit is een terugkeer naar een minder individualistische premoderne stand van zaken. Het is tijdens het carnaval dan ook van belang dat zo veel mogelijk mensen samen vieren; er is een kritische massa nodig om effectief een collectivistische beleving op te roepen. Dit is een van de belangrijkste redenen dat het carnaval in plaatsen waar deze kritische massa niet bestaat, als kunstmatig overkomt.

Hier wordt een paradox van het carnaval zichtbaar. Aan de ene kant is er een verlangen om oude tradities opnieuw te beleven en uit te vinden. De symbolen van het carnaval zijn een uitdrukking van een verlangen naar een premoderne stand van zaken, naar een een meer collectivistische maatschappij. Aan de andere kant is het carnaval een ultieme uitdrukking van persoonlijke identiteit, hetgeen een kenmerkend aspect is van een postmoderne cultuur.11) In de huidige westerse cultuur is onze persoonlijke en sociale identiteit een product van individuele vorming. In de premoderne wereld overlapten de persoonlijke en sociale identiteit elkaar grotendeels en werden bepaald door traditie en afkomst.12 Alhoewel we ons nooit helemaal los kunnen weken van onze sociale achtergrond, is er in de huidige culturele context veel ruimte voor het zelf bepalen van een identiteit. Tijdens het carnaval wordt dit tot het uiterste mogelijk gemaakt en kan men zich geheel van zijn of haar sociale context losweken om zo in bijna totale vrijheid een tijdelijke identiteit te construeren. Tijdens het carnaval wordt het idee van een vaste identiteit impliciet bekritiseerd en het ‘masker’ is een symbool van de vloeibaarheid van dit aspect van de sociale werkelijkheid.

Carnaval is ook een tijd waar de gangbare orde bekritiseerd wordt in humoristische conferences. Traditioneel staat de conferencier in een halve houten ton, de büt, een waston waar de maatschappelijke ‘vuile was’ door middel van humor gezuiverd kan worden. Maatschappelijke spot is tevens een regelmatig terugkerend thema in de vele optochten die tijdens het carnaval gehouden worden. Deze functie van het carnaval is in een open maatschappij als de tegenwoordige echter niet meer zo van belang aangezien kritiek iedere dag overal ongezouten geuit kan worden. Waar voorheen door veel optocht participanten een kritische boodschap op komische wijze werd uitgedragen, ligt tegenwoordig de nadruk op uitbeeldingen van zotheid door middel van praalwagens en grote groepen kleurrijk uitgedoste carnavalisten.

Veel activiteiten die tijdens het carnaval ontplooid worden hebben een sterk lokaal en ludiek karakter. Zo wordt in Schinveld jaarlijks de ‘Hoeigeit’ opgelaten—een kartonnen geit met “gestrikte udder” (gebreide uiers) die aan met helium gevulde ballonnen opgelaten wordt. In Kerkrade vind het ‘Klone Trekke’ plaats—een bijeenkomst van vele honderden clowns. In Hoensbroek wordt het jaarlijkse ‘Kowrenne’ (Koe-rennen) gehouden—een wedstrijd waarbij teams zo hard mogelijk rennen onder een met papier maché vervaardigde koe. ((Kitty Jansen-Rompen, Vasteloavend en verkleedpartijen.)) Zo heeft bijna ieder dorp haar eigen ludieke activiteiten. Kenmerkend is dat ze allemaal totaal zinloos zijn en bijna geheel ontdaan van symboliek. De ludieke activiteiten verwijzen niet naar iets buiten de activiteiten zelf, maar zijn een uitdrukking van de collectieve identiteit van de vele dorpen die Zuid-Limburg rijk is. Men zou tevens kunnen zeggen dat de ‘Hoeigeit’, het ‘Klone Trekke’ en het ‘Kowrenne’ een lof der zotheid zijn, een uitdrukking van de absurditeit van het carnaval.

Het carnaval heeft zich de afgelopen decennia steeds meer afgewend van de oorspronkelijke religieuze doelstellingen, te weten een voorbereiding op het vasten. Met het loslaten van de oude sociale structuren en de ontzuiling zijn we steeds meer op ons zelf gericht. We moeten onze eigen identiteit construeren en onze eigen zingeving zoeken. Het carnaval is mijns inziens een ultieme expressie van de postmoderne Zeitgeist waarin we verkeren.

Het carnaval is een expressie van Huizinga’s Homo Ludens,13 de spelende mens, tegenstand biedend aan de individualistische moderniteit door het organiseren van collectivistische ervaringen. Het Limburgse carnaval is echter tevens een uitdrukking van individualisering in de Westerse cultuur omdat het vooral gericht is op het scheppen van een tijdelijke individuele en sociale identiteit door middel van het verkleden en lokale ludieke evenementen. Hier ligt tevens een van de grootste verschillen met het Bourgondische carnaval zoals dit vooral in Brabant wordt gevierd. Het verkleden is hier gestandaardiseerd door het dragen van de boerenkiel.14 Alhoewel de kiel persoonlijke elementen in de vorm van emblemen bevat, is deze standaardisering in de verkleding van de ‘Bourgondische’ carnavalisten een manier om de collectieve ervaring vorm te geven. Deze standaardisering is ook in Limburg meer populair geworden aangezien er steeds meer grote groepen samen carnaval vieren in identieke uitdossing.

De absurditeit van het carnaval wordt uitgebeeld in een ode aan de dwaasheid, met de nar of clown als centrale symbool. Ook hier wordt teruggegrepen op een premoderne tijd waar, Michel Foucault volgend, de rede en de waanzin nog in elkaars verlengde lagen.15 De absurditeit van het leven ligt volgens Albert Camus in de confrontatie tussen de irrationaliteit van de wereld en ons verlangen naar duidelijkheid.16 Het drie dagen prioriteit te geven aan het irrationele over het rationele is een ritueel van filosofische zuivering om de druk van het dagelijkse leven te ontlasten.

Conclusie

Het carnaval is in deze zin ritueel van karakter. Het hele feest is een uitdrukking van de absurditeit van het leven zelf. In de ontzuilde maatschappij is het individu op zichzelf teruggeworpen om betekenis te vinden in zijn of haar leven. Oplossingen voor zinsgevingsvraagstukken worden niet langer kant en klaar aangeboden door de traditie waarin men ingebed is. Het vieren van het carnaval is een ritueel waarin aan de absurditeit van het leven volle uitdrukking wordt gegeven door middel van de omkering van de gangbare sociale orde waarbij de waanzin regeert over de rede met de Raad van Elf als culturele bemiddelaars. Het recente succes van het carnaval past binnen de postmoderne consumptiemaatschappij omdat het een moment is waar het individu ontlast word van de dagelijkse druk om zingeving te vinden en een identiteit aan te meten. Het is een tijd waar deze aspecten van het leven drie dagen lang opzij geschoven kunnen worden.

Deze cultuurwetenschappelijke schets van het carnaval is voornamelijk gebaseerd op persoonlijke ervaringen en is een poging om mijn eigen identiteit beter te kunnen begrijpen. Het laatste woord is echter zeker nog niet geschreven over dit complexe sociale fenomeen. Uitdrukkingen van zotheid en carnavaleske elementen komen niet alleen voor in het carnaval. Bij nadere beschouwing van een wedstrijd van het Nederlands voetbal elftal of andere sportevenementen zoals de Olympische Spelen, Dance Party’s of open lucht popfestivals kunnen vele parallelle elementen blootgelegd worden. In een wereld waar we onze identiteit zelf moeten vervaardigen zijn veel mensen op zoek naar een collectieve ervaring om de druk van het op zichzelf geworpen te zijn tijdelijk te kunnen ontlasten.

Een ding is zeker, het academisch beschrijven van carnaval komt nagenoeg overeen met het analyseren van hersenen om hierdoor een ziel te kunnen ontwaren. De essentie van het carnaval is ongrijpbaar en kan pas echt begrepen worden indien men zich in het feestgewoel mengt.

En alhoewel ik hier in Australië geen mogelijk heb om dit te doen, sluit ik dit essay toch af met een krachtig “Alaaf!”.

Noten


  1. James M. Brophy, ‘Carnival and citizenship: The politics of carnival culture in the Prussion Rhineland 1823-1848’, Journal of Social History 30 (1997) 873–904. 

  2. Barbara Eherenreich, Dancing in the streets. A history of collective joy (Metropolitan Books: New York, 2006). 

  3. Theo Franssen, Carnaval ontmaskerd? (De Lijster: Maasbree, z.j.); Brophy (1997). 

  4. C. G. Stridbeck, ‘Combat between Carnival and Lent’ by Pieter Bruegel the Elder: An Allegorical Picture of the Sixteenth Century, Journal of the Warburg and Courtauld Institutes 19 (1956) 96–109. 

  5. Franssen, Carnaval ontmaskerd? 

  6. Brophy, ‘Carnival and citizenship’. 

  7. Kitty Jansen-Rompen, Vasteloavend en verkleedpartijen. Het alledaagse leven. Tradities en trends in Nederland 7 (Waanders: Zwolle, 2009). 

  8. Brophy, ‘Carnival and citizenship’. 

  9. In dit essay wordt de termen ‘prins’ en ‘hij’ gebruikt aangezien dit in de overgrote meerderheid van carnavalsverenigingen het geval is. De feministische implicaties hiervan worden verder buiten beschouwing gelaten. 

  10. Kitty Jansen-Rompen, Vasteloavend en verkleedpartijen. 

  11. Peter Prevos, Cultural Identity: Are we able to choose our own identity? (2005 

  12. Harry Kunneman, Van theemutscultuur naar walkman-ego. Contouren van postmoderne individualiteit (Boom: Amsterdam en Meppel 1996). 

  13. Johan Huizinga, Homo Ludens (Paladin: London, 1970). 

  14. Kitty Jansen-Rompen, Vasteloavend en verkleedpartijen

  15. Michel Foucault, Madness and civilization. A History of insanity in the Age of Reason (Routledge: London 1997). 

  16. Albert Camus, The Myth of Sisyphus (Penguin Books: London, 2005). 

Één reactie op “Zin en Waanzin van de Carnaval: Bespiegelingen over de driedaagse zotheid

  1. Pingback: The Praise of Folly: Philosophical View of Limburger Carnival

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *