The Kunst van Deceptie: Goochelen als Theaterkunst

“De gehele wereld is een theater en alle mensen zijn slechts acteurs …” William Shakespeare, As You Like it (1599)

Perspectives of Magic: Een wetenschappelijke visie op goochelen.

Perspectives of Magic: Een wetenschappelijke visie op goochelen.

De goochelaar in avondkostuum, een konijn uit zijn hoge hoed trekkend, is een veel voorkomend beeld in de contemporaine westerse cultuur. Goochelen is een informele vorm van theater en maakt deel uit van de populaire cultuur. Goochelaars geven voorstellingen aan kinderen, in restaurants, op straat en op feesten en partijen. Goochelaars gebruiken zelf het woord goochelkunst om hun activiteiten te beschrijven.1 Maar is een goochelaar wel een kunstenaar, is goochelen een vorm van kunst in de zin van theaterkunst? Velen zullen deze vraag negatief beantwoorden aangezien goochelen een vrij lage status in de hiërarchie van de theaterkunsten heeft.2 In dit artikel zal de vraag of goochelen, met de nadruk op het zogenaamde close-up goochelen, als kunstvorm kan worden aangemerkt, worden uitdiept.

Traditioneel denkt men bij theater als kunstvorm aan de ‘gesloten’ Aristotelische vorm waarin sprake is van eenheid van tijd, plaats en handeling.3 Doelstelling van het gesloten theater is dat de toeschouwer tijdelijk vergeet dat het om acteurs gaat; dat de toeschouwer zich verliest in de gespeelde werkelijkheid. De Franse negentiende eeuwse goochelaar Robert Houdini, die alom de vader van het moderne goochelen wordt genoemd, staat bekend om de uitspraak dat een goochelaar een acteur is die de rol van een tovenaar vertolkt.4 Deze omschrijving van de goochelaar past in het Aristotelische theaterbegrip waarin het doel is de toeschouwer ervan te overtuigen dat de goochelaar een tovenaar is. Vanuit dit perspectief bezien kan een goochelvoorstelling als kunstvorm worden beschouwd mits de goochelaar toeschouwers kan overtuigen, op zijn minst tijdelijk, dat hij of zij bovennatuurlijke krachten bezit.

Deze denkwijze kan echter niet van toepassing zijn op contemporaine goochelaars. Iedere weldenkende toeschouwer weet immers dat de goochelaar slimme technieken gebruikt om de indruk te wekken dat er magische krachten in het spel zijn. Iedereen beseft dat de goochelaar niet echt speelkaarten kan laten verschijnen of ballen door bekers kan penetreren. Het is echter de uitdaging voor de goochelaar dat tijdelijke twijfel wordt gezaaid over het antwoord op de vraag of hij of zij over echte magische krachten beschikt. De moderne toeschouwer zal zich echter nooit volledig kunnen inleven in de tovenaar zoals die gespeeld wordt door de goochelaar op dezelfde manier zoals we ons in een film of toneelspel kunnen inleven. De intellectuele uitdaging tussen de toeschouwer en de goochelaar is altijd aanwezig. Het belangrijkste verschil tussen de goochelaar en de acteur is dat het in het goochelen veelal gaat over de avonturen van de rekwisieten in de handen van de goochelaar, terwijl het bij het toneelspel en in de film uiteindelijk gaat over de avonturen van de personen zelf.5

Een ander groot verschil tussen het klassieke theaterbeeld en close-up goochelen is dat er bijna altijd sprake is van directe interactie tussen de vertolker en de toeschouwer. In het traditionele theater is er sprake van een de zogenaamde vierde muur, de denkbeeldige scheiding tussen acteurs en toeschouwers. In een close-up goochelvoorstelling bestaat deze muur niet, aangezien de toeschouwers vaak zelf deel uitmaken van de voorstelling. Het Aristotelische beeld van theater kan dus niet van toepassing zijn op het close-up goochelen.

Brechtiaans Goochelen

Duitse schrijver en theaterwetenschapper Bertolt Brecht heeft een theaterbeeld ontwikkeld dat tegenover het traditionele Aristotelische beeld staat. Een van de technieken waarvan hij veelvuldig gebruik maakte was het vervreemdingseffect (Verfremdungseffect). Dit is een situatie waarin de acteur, impliciet of expliciet, duidelijk maakt dat het om een voorstelling gaat. Brecht gebruikt het concept van het episch theater, waarin geen emoties worden opgewekt, maar mededelingen worden gedaan.6 Een close-up goochelvoorstelling kan gezien worden als een vorm van episch theater: er is meestal geen sprake van het opwekken van emoties of het vertellen van een verhaal. Iedere goocheltoer bevat echter een boodschap. De meest krachtige boodschap die een goochelaar, veelal onbewust, kan uitdragen is dat de wereld, zoals die wordt waargenomen, niet is zoals wij denken.7 De goochelaar creëert tijdelijk een wereld waarin wonderen mogelijk zijn; kaarten verdwijnen en verschijnen en bekers en balletjes omzeilen de vermeende wetten van de natuur. Het is in deze zin dat goochelen een theaterkunst genoemd kan worden; een vorm van theater waarin het gewone op een ongewone manier gepresenteerd wordt. De goochelaar presenteert een intellectuele uitdaging, niet als een simpele puzzel, maar een diepere waarheid over hoe wij de werkelijkheid ervaren.

Een voorstelling waarbij het vervreemdingseffect niet toegepast wordt kan overigens in ethisch onverantwoord terrein terecht komen. Indien de goochelaar niet duidelijk maakt dat het om een voorstelling gaat kan het vertrouwen van de toeschouwer misbruikt worden.8)

Echter, net zoals niet iedere tekening als kunst beschouwd kan worden, kan niet iedere goocheltruc die wordt vertoond met recht kunst worden genoemd. Het ligt echter buiten het bestek van dit artikel om de esthetica van de goochelkunst uit te diepen. Hieronder zullen de voorstellingen van twee invloedrijke goochelaars geanalyseerd worden om het beschreven perspectief te illustreren.

Fred Kaps

De bekende Fred Kaps wordt nog steeds alom gezien als één van de beste goochelaars van de vorige eeuw. Fred Kaps, ofwel Bram Bongers, had een onnavolgbare stijl, gekenmerkt door een perfecte techniek en een innemende presentatie. Kaps is de ultieme goochelende acteur en zijn uitvoering van The Homing Card is een schoolvoorbeeld van een dramaturgisch perfect gestructureerde uitvoering.

Kaps is in deze voorstelling voortdurend in conflict met zichzelf en ondergaat een reeks van emoties. De eerste keer dat hij ziet dat hij de verkeerde kaart heeft is hij verbaasd, maar schenkt hier niet veel aandacht aan. De tweede keer dat het fout gaat wordt hij in verlegenheid gebracht en probeert uit te zoeken wat er aan de hand is. De derde keer dat de verkeerde kaart verschijnt vervalt hij in ongeloof en teleurstelling, maar gaat stug door. De vierde en laatste keer dat de verkeerde kaart verschijnt wordt hij zelfs kwaad op zichzelf.

Meest in het oog springende aspect van deze routine is dat de magische momenten geheel onverwacht gebeuren. Het is geen typische goocheltoer waarbij de goochelaar triomfantelijk laat zien dat hij of zij de wetten van de natuur onder controle heeft. De voorstelling is zo gestructureerd dat de magische momenten buiten controle van de goochelaar gebeuren. De goochelaar en het publiek delen in deze vorm van presentatie de magie. De situatie die Kaps middels goocheltechnieken presenteert is ook herkenbaar voor het publiek. Iedereen herkent de situatie dat voorwerpen plotseling zoek zijn en opeens weer tevoorschijn komen. De voorstelling kan aldus ook symbolisch opgevat worden, een interpretatie van de machteloosheid die we soms voelen als dingen gebeuren buiten onze controle.

Deze voorstelling zou een Aristotelische vorm van theater genoemd kunnen worden. Kaps speelt geen tovenaar, maar een goochelaar en verlaagt hiermee de drempel van de geloofwaardigheid, een essentieel element van traditioneel theater. Het is nagenoeg onmogelijk om toeschouwers te overtuigen dat ze een tovenaar zien. Kaps is echter heel overtuigend in het laten doen geloven dat hij een mislukte goochelaar is. Kaps maakt echter ook gebruik van het vervreemdingseffect na de laatste verkleuring middels een betekenisvolle glimlach waarmee aangeeft uiteindelijk toch de oorzaak te zijn van de telkens weer terugkerende zwarte kaart.

Tommy Wonder

Een andere Nederlander die veel voor de goochelkunst heeft gedaan is Jos Bemelmans, beter bekend als Tommy Wonder. Bemelmans heeft twee van de meest invloedrijke boeken in de contemporaine goochelarij geschreven, waarin hij een diepgaande analyse van de praktische dramaturgie van een goochelvoorstelling geeft.9 Het is geen wonder dat hij goochelen vanuit een dramaturgisch perspectief beziet, aangezien hij aan de Academie voor Podiumvoming in Den Haag heeft gestudeerd. In de goochelwereld staat Tommy Wonder onder andere bekend om zijn uitvoering van het klassieke bekerspel.10

In deze voorstelling staat de goochelaar centraal en is het vanaf het begin duidelijk dat hij de oorsprong van de magie is. De voorstelling vind plaats met actieve deelneming van de toeschouwer en de vierde muur wordt zo door Tommy Wonder geslecht. De routine bestaat uit verschillende fasen, met steeds sterker wordende effecten. Een kenmerkend aspect van deze routine is de verschijning van het pompoentje en later ook het zakje onder de beker. In meer traditionele uitvoeringen van het bekerspel worden meestal nieuwe objecten, zoals vruchten, geïntroduceerd. Deze vruchten hebben echter gen verbinding met het hetgeen tot nu toe vertoond is. Tommy Wonder gebruikt een reeds geïntroduceerd voorwerp om praktische en dramaturgische redenen. Over de praktische reden zal ik niet verder uitweiden, de dramaturgische reden is dat het een situatie creëert waarbij de verbazing gedeeld wordt tussen de goochelaar en toeschouwer.

Tommy Wonder’s voorstelling is een hoogstaand staaltje van goochelkunst waarbij de toeschouwers continu van verbazing in verbazing vallen. Volgens Tommy Wonder is de kracht van het close-up goochelen niet zozeer de korte afstand tussen goochelaar en toeschouwer, maar dat het publiek de magiër ervaart, in plaats van er slechts naar te kijken.11

Samenvattend: close-up goochelen als een vorm van theater is een vorm van kunst in de zin zoals uitgelegd door Bertolt Brecht. Het is een vorm van epische theater waarin de goochelaar een alternatief wereldbeeld uitdraagt. In een geslaagde voorstelling slaagt de goochelaar op zijn minst tijdelijk hierin en brengt ons terug naar een natuurlijke staat van verbazing: het wereldbeeld van het kind.12


  1. Larette, De goochelkunst en haar geheimen (Amsterdam 1939). 

  2. Michael Mangan, Performing Dark Arts. A cultural history of conjuring (Bristol en Chicago 2007). 

  3. Disselkoen, Dick ed., Twaalf opera’s als spegel van hun tijd (Heerlen en Nijmegen 1993). 

  4. Julian M. Olf, ‘The actor and the magician’, The Drama Review: TDR 18 (1974) 53-58. 

  5. Eugene Burger en Robert E. Neale, Magic and meaning (Seatlle 1995). 

  6. Disselkoen, Twaalf opera’s

  7. Burger en Neale, Magic and meaning. 

  8. James Randi, The magic of Uri Geller (New York 1975 

  9. Tommy Wonder, The Books of wonder (Seattle 1996). 

  10. Wonder, Books of wonder II (1996) , 105–134. 

  11. Wonder, Books of wonder II (1996), 12. 

  12. Paul Harris, The Art of Astonishment I (California 1996). 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *