Gestrand in het Zuidland: VOC Schipbreukelingen in Australië

Nederlandse kaart van Australië uit 1644.

Nederlandse kaart van Australië uit 1644.

Nederland en Australië vierden vorig jaar een gezamenlijke geschiedenis van vierhonderd jaar. Het was in 1606 dat het VOC schip Duifje vanuit Banda vertrok op zoek naar handel in Nieuw Guinea. Tijdens deze reis landde de bemanning van schipper Willem Janszn in het noorden van het huidige Australië en waren zo de eerste Europeanen die, voor zover bekend, hier voet aan de wal hebben gezet. De daarop volgende honderdvijftig jaar stuurde de VOC tientallen schepen naar het ‘Zuidland’. Vier van deze schepen zijn echter nooit van hun reis terug gekomen. Ze zijn op de kust van West Australië gestrand.

De bemanningsleden en passagiers die de initiële ramp overleefden, waren de eerste onvrijwillige kolonisten van Australië. Dit verhaal gaat over de mensen die op deze vier schepen voeren en hun avonturen in dit hete en droge land.

Niet alle VOC opvarenden waren overigens Nederlanders. Werkzoekenden uit de Republiek en het Duitse achterland trokken naar de Nederlandse steden op zoek naar werk en kwamen veelal bij de VOC of de oorlogsvloot terecht.1 Het aantal niet Nederlandse zeevarenden varieerde tussen de 25 en 50%. Voor militairen was dit percentage veel groter.2

Batavia

De moordpartijen in volle gang (Pelsaert, 1647).

De moordpartijen in volle gang (Pelsaert, 1647).

De Batavia is het meeste bekende retourschip van de VOC, vooral vanwege de replica die in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Flevoland gebouwd is.3 Het spiegelretourschip was het belangrijkste type transportschip van de VOC. Ze werden gebruikt voor vervoer van goederen en personen tussen De Republiek en Azië. Het is ook een van de meest bekende VOC schepen vanwege de dramatische gebeurtenissen die zich tijdens haar eerste reis afspeelden.

De Batavia vertrok, samen met zeven andere schepen, op 26 oktober 1628 van Texel naar de Oost. VOC opperkoopman François Pelsaert voerde het commando over de vloot en Adriaen Jacobszn was de schipper van de Batavia.4 Tijdens de reis ontstonden veel spanningen tussen Pelsaert en Jacobszn, die elkaar van eerdere reizen kenden. Lucretia van der Meylen, een passagier op weg naar Batavia om zich bij haar echtgenoot te voegen, stond hierbij centraal. De schipper probeerde haar te verleiden, maar zij negeerde hem en bevriende zicht met Francesco Pelsaert. Jacobszn verlegde vervolgens zijn avances naar Zwaantje Hendrix, de meid van Lucretia. In Kaap de Goede Hoop gingen Adriaen Jaobszn en Zwaantje, samen met de onderkoopman Jeronimus Corneliuszn flink aan de zwier. Jacobszn werd voor zijn slechte gedrag door Pelsaert gestraft. Dit heeft veel kwaad bloed gezet en niet lang na het vertrek uit Kaap de Goede Hoop zou Corneliuszn plannen hebben voorgelegd aan Jacobszn om muiterij te plegen.

Voordat de muiterij daadwerkelijk plaats kon vinden liep de Batavia aan de grond bij de Houtman Abrolhos eilanden, veertig mijlen van de kust van West Australië. De meeste overlevenden werden op één van de eilanden afgezet. Pelsaert, Jacobszn en ongeveer dertig matrozen gingen naar een kleiner eiland. De mannen wisten dat ze in grote problemen waren wegens een gebrek aan water en voedsel en ze namen al snel het besluit om met twee sloepen te proberen om Batavia te bereiken.

De achterblijvers bevonden zich in een hachelijke situatie en sommigen stierven al in de eerste week van de dorst. Dit was de aanzet voor Corneliszn en zijn kornuiten om een gewelddadige muiterij te beginnen, die leidde tot de dood van 125 mannen, vrouwen en kinderen. Pelsaert, Jacobszn en zijn bemanning hadden intussen Batavia bereikt en waren al snel weer op weg terug naar de plaats van het ongeluk. Toen zij daar, twee maanden na de schipbreuk, aankwamen was de muiterij snel weer voorbij. Corneliuszn werd gevangen genomen en, nadat zijn beide handen werden afgehakt, opgehangen. Twee muiters, Wouter Loos, een soldaat en Jan Pelgrom de Bie, een 18 jarige scheepsjongen, werden op het Australische vasteland achtergelaten en werden aldus de eerste Europese bewoners.5 Wat er met deze twee muiters gebeurde is niet bekend. Hun overlevingskansen waren, gezien de barre omstandigheden gering.

De overige muiters werden meegenomen naar Batavia om aldaar berecht en bestraft te worden. Adriaan Jakobszn, die oorspronkelijk plannen voor de muiterij met Corneliuszn smeedde, weigerde ook na martelingen te bekennen en het bewijs tegen hem kon niet sluitend gemaakt worden. Het is onbekend wat zijn lot uiteindelijk was. Van de 341 opvarenden kwamen uiteindelijk slechts 68 in Batavia aan. Hoewel Pelsaert geen rol speelde in de muiterij werd hem door de VOC wel aangerekend dat hij te weinig gezag had getoond. Het relaas van Pelsaert werd in 1647 gepubliceerd, wat de belangrijkste bron vormt over de gebeurtenissen op de Batavia.6

Vergulde Draak

Het tweede VOC schip dat in Australië schipbreuk leed was het jacht de Vergulde Draak. Op 4 oktober 1655 vertrok schipper Pieter Albertszn vanuit Texel naar de Oost met 193 opvarenden en een rijke lading van 185.000 gulden aan zilver.7 Het grootste deel van de opvarenden en het zilver is echter nooit in Batavia aangekomen. De Vergulde Draak sloeg in April 1656 op de klippen bij de kust van Australië en slechts vijfenzeventig overlevenden met schamele provisie konden het vasteland bereiken.

Schipper Pieter Albertszn stuurde zes mannen, onder leiding van de onderstuurman Abraham Leeman van Santwiz, naar Batavia om hulp te halen. Ze kwamen veertig dagen later in Batavia aan, alwaar men prompt twee schepen zond om de overlevenden en het zilver op te halen. Deze eerste zoektocht had geen succes.

Een jaar later stuurden de Heren XVII de fluit de Vink, die vanuit Zeeland naar Batavia reisde, om onderweg poolshoogte te nemen in het Zuidland.8 Ook deze expeditie faalde en de Vink kwam zonder verder bericht over de Vergulde Draak in Batavia aan.

De VOC gaf de zoektocht echter nog niet op en op nieuwjaarsdag 1658 voeren de Emmeloord en De Wakende Boei vanuit Batavia naar het Zuidland. Ze hadden opdracht om mogelijkheden voor handel te onderzoeken en op zoektocht naar het zilver en de overlevenden van de Vergulde Draak te gaan. De Wakende Boei vond resten van het vermiste schip, maar ook deze keer werden geen overlevenden of zilver gevonden. De 68 opvarenden van de Vergulde Draek die waren achtergebleven zijn nooit terug gevonden.

Zuiddorp

Het derde VOC schip dat op de verraderlijke Australische kust op de klippen liep was de Zuiddorp. Ze was in 1711 vanuit Wielingen vertrokken voor haar derde reis naar de Oost. Het bleek een rampzalige reis te worden voor schipper Marinus Wijsvliet. Toen men bij Kaap de Goede Hoop aankwam waren al 112 van de 286 opvarenden al overleden en waren 22 ernstig ziek.9.)

De levensomstandigheden aan boord van de schepen liet veel te wensen over. De mortaliteit per reis was circa 11%.10 Oorzaak van het hoge sterftecijfer aan boord van de schepen waren de slechte voedselvoorraden, wat vaak resulteerde in scheurbuik. Het water aan boord was vaak zo slecht dat men het met gesloten tanden moest drinken om de wormen die in het water krioelden uit te filteren.11

Het tweede deel van de reis van de Zuiddorp verliep nog rampzaliger. De Zuiddorp verliet op 22 april 1712 de Tafelbaai in gezelschap van de Kokenge. De Kokenge bereikte Batavia op 4 juli 1712, echter zonder de Zuiddorp. De VOC ondernam dit keer geen poging om het schip en de bemanning te vinden en men vernam bijna tweehonderd jaar niks meer over de Zuiddorp.

Een groep Aboriginals die in 1927 dingo’s aan het jagen waren ontdekten een verlaten kamp, dat later van de overlevenden van de Zuiddorp bleek te zijn. Het is mogelijk dat de overlevenden van de Zuiddorp door lokale Aboriginals geholpen zijn om in dit barre klimaat te overleven. De temperaturen kunnen in dit deel van Australië in de zomer oplopen tot 47 graden. Er zijn geen aanwijzingen dat dit gebied door Aboriginals regelmatig bezocht werd en zonder hun hulp is het onwaarschijnlijk dat men de zomer overleefde.12 Wel doen verschillende speculaties doen de ronde over ‘licht gekleurde’ Aboriginals en het voorkomen van een zeldzame genetisch overgedragen stofwisselingsstoornis, die veel voorkwam in Kaap de Goede Hoop,13 maar tot op heden is geen sluitend bewijs gevonden dat bemanningsleden van de Zuiddorp nog lang na de schipbreuk geleefd hebben.

Zeewijk

Het laatste VOC schip dat bij Australië schipbreuk leed was de Zeewijk, onder leiding van schipper Jan Steins. De Zeewijk was pas nieuw gebouwd door de Kamer Zeeland van de VOC en voer op 7 november 1726 af van Rammekens met 208 bemanningsleden aan boord.14.) De Zeewijk vervoerde een rijke lading van meer dan 300.000 gulden in tien kisten.

Zeven weken na het vertrek uit Kaap de Goede Hoop leed de Zeewijk schipbreuk bij Gun Island in het zuidelijke deel van de Houtman Abrolhos eilanden. Het schip was niet meer te redden en na zes dagen op het gestrande schip, kon een groot deel van de bemanning eindelijk een eiland bereiken.

Opperstuurman Pieter Langeweg probeerde met elf anderen in een kleine boot Batavia te bereiken, maar men heeft niks meer van ze gehoord. Na enkele maanden van barre hoop besloten de overige bemanningsleden om van de resten van de Zeewijk een boot te bouwen om zo te proberen Batavia te bereiken. Er waren genoeg vaklui aan boord van het schip om zo’n complex project uit te voeren.

Op de website van het Nationaal Archief kan de lijst van opvarenden voor dit schip gevonden worden.15 Deze lijsten zijn opgemaakt aan hand van de scheepssoldijboeken, die de personeelsadministratie van de VOC vormden. De Zeewijk had oorspronkelijk vier timmerlieden aan boord, waarvan één de schipbreuk overleefde. Ook waren er nog andere handwerkslieden, zoals een zeilmaker, aan boord. Het duurde vier maanden om hun reddingsboot, die ze Sloeppie noemden, te bouwen. Op 30 april 1728 kwamen 82 overlevenden van de Zeewijk in Batavia aan.

Synthese

De verhalen over de schipbreukelingen op Nederlandse VOC schepen in Australië zijn verhalen van moed, geweld, honger en dorst. Vele tientallen overlevenden zijn in (in het land/ op het strand) het woeste West Australische land gestrand. Hun overlevingskansen waren zeer gering, en het is onwaarschijnlijk dat ze nog lang hebben geleefd.

Er bestaan geruchten over een groep Nederlanders die, volgens een Engelse krant, in 1834 in Palm Valley woonden, maar het is bijna onmogelijk dat overlevenden van de vergulde Draak of de Zuiddorp uiteindelijk in Pal Valley zijn aangekomen. Het ligt namelijk in het midden van Australië, 1700 km van de kust.

Wat er met de moedige mannen en vrouwen die de scheepsrampen overleefd hebben is gebeurd zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen. Hun belevenissen zijn, vooral vanwege de vele vragen die er nu nog zijn, fascinerende verhalen uit de Nederlandse geschiedenis.

Noten


  1. F.S. Gaastra, ‘Het zeegat uit: arbeidsomstandigheden van het lagere personeel in de zeevaart’, in: Oriëntatiecursus cultuurwetenschappen. Java en de VOC (Heerlen, 1992) p. 140. 

  2. Ibidem, p. 151. 

  3. Priska Gretler en Robert Parthesius (red.), Batavia 1987 (Lelystad 1987). 

  4. J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, (red.), Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries (Den Haag, 1979-1987). 

  5. Priska Gretler, Robert Parthesius en Ad van der Zee, Batavia. De terugkeer van een Retourschip (Den Haag, 1991). 

  6. Francois Pelsaert, Ongeluckige voyagie van ’t schip Batavia nae de Oost Indien (Amsterdam 1647). 

  7. J.R. Bruijn et al. (1979–1987). 

  8. J.R. Bruijn et al. (1979–1987). 

  9. J.R. Bruijn et al. (1979–1987 

  10. Gaastra (1992), p. 147. 

  11. Ibidem, p. 149. 

  12. Kate Morse, An archeological survey of midden sites near the Zuytdorp wreck (Western Australian Museum 2002). 

  13. Sandra Bowdler, In search of the Zuytdorp survivors (University of Western Australia 1991). 

  14. J.R. Bruijn et al. (1979–1987 

  15. Nationaal Archief, VOC opvarenden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *