Omgaan met het Transcendente

Inleiding1

De sjamaan van deze stam in Mexico past genezingstechnieken toe tijdens een ceremonie. Sjamanen spelen in veel culturen een belangrijke rol, omdat ze een genezende kracht bezitten en met de wereld der geesten communiceren. Als priesters, genezers en zieners genieten de Sjamanen binnen hun stam meestal een speciale status. Ze zijn de dragers van de religie en vormen in deze maatschappijen de verbinding tussen het materiële en het spirituele; het immanente en het transcendente.

De sjamaan van deze stam in Mexico past genezingstechnieken toe tijdens een ceremonie. Sjamanen spelen in veel culturen een belangrijke rol, omdat ze een genezende kracht bezitten en met de wereld der geesten communiceren. Als priesters, genezers en zieners genieten de Sjamanen binnen hun stam meestal een speciale status. Ze zijn de dragers van de religie en vormen in deze maatschappijen de verbinding tussen het materiële en het spirituele; het immanente en het transcendente.

Het aantal mensen in Nederland dat aangesloten is bij een kerkgemeente is de laatste dertig jaar aanzienlijk gedaald. In de afgelopen drie decennia hebben zich gemiddeld zo’n honderd duizend Nederlanders per jaar aan de kerk onttrokken. In 1966 was 33% van de bevolking buitenkerkelijk, elf jaar later was dit percentage gestegen tot 43%, en onlangs in 1996 was weer een toename van het aantal buitenkerkelijken waar te nemen; 53% van de Nederlandse bevolking behoort niet tot een georganiseerd geloof. Daar staat tegenover dat in de onderzochte periode meer mensen geloven in een leven na de dood en bijna een kwart van de Nederlanders gelooft in reïncarnatie. Het percentage mensen dat zich religieus noemt is in de onderzochte periode echter gelijk gebleven, twee derde van de in dit onderzoek ondervraagden beschouwt zichzelf als gelovig.2

Uit bovenstaande opsomming kan de conclusie worden getrokken dat er kennelijk een fundamentele behoefte aan religiositeit bestaat buiten de christelijke kerken om. De belangrijkste christelijke instituties, de Katholieke en de Reformatorische kerk hebben eeuwenlang het monopolie gehad op de omgang met het transcendente. De priesters en predikanten vertegenwoordigen in deze het goddelijke op aarde, zij bemiddelen tussen het boven- en ondermaanse.

In dit essay zal ik nader ingaan op deze houding van de westerse mens tegenover het transcendente in de religieuze beleving aan hand van twee leereenheden uit de cursus. De vraag hoe met de verhouding tussen transcendentie en immanentie om te gaan staat hierbij centraal. In de volgende paragraaf zullen de verschillende begrippen nader worden gepreciseerd en wordt de omgang met het transcendente zoals het in de huidige westerse cultuur wordt beleefd nader omschreven en geproblematiseerd.

Het immanente en het transcendente

Transcendentie is afgeleid van het Latijnse werkwoord transcendere, hetgeen overstijgen of te boven gaan betekent. Het transcendente is datgene wat de grenzen van een bepaalde sfeer, orde of domein overschrijdt, het begrip ‘het transcendente’ wordt onder meer dikwijls gebruikt voor datgene wat de eindige, zintuiglijk waarneembare wereld als zodanig te boven gaat, het spirituele. Tegenover dit begrip staat het immanente. Deze term is afgeleid van het Latijnse werkwoord immanere, hetgeen ‘inblijven’ betekent. Dit begrip wordt onder meer gebruikt voor de zintuiglijk waarneembare wereld als zodanig, het materiële. Paul van Tongeren geeft in zijn leereenheid een verdere precisering van de begrippen transcendentie en het transcendente.3 Transcendentie is het overschrijden, dat wat overschreden wordt is het immanente. Het transcendente is dat wat aan de andere kant van het immanente is.

Edit Brugmans beschrijft in leereenheid 1 hoe een cultuur gekarakteriseerd kan worden door een analyse van zogenaamde grondhoudingen.4 Hoewel culturele waarden doorwerken in alle theoretische en praktische grondhoudingen van de mens, kunnen we volgens haar toch spreken van drie grondhoudingen. Deze zijn: de houding tot de werkelijkheid, de houding tot de medemensen en de houding tot het transcendente. Onder de werkelijkheid verstaat zij alles wat is — ook al is dit voor de mens slechts aanwezig als objectiviteit van de ervaring, dus als werkelijkheid met een bepaalde betekenis of waarde. Met medemensen bedoelt zij een specifieke klasse van de werkelijkheid, die zich hierin onderscheidt dat de medemensen niet alleen als objectiviteit ervaren kunnen worden, maar ook als subjectiviteit van ervaringen worden onderkend. Met het transcendente bedoelt zij het zijn als zodanig. In elke ervaring wordt het transcendente enigszins gekend, terwijl het niet samenvalt met deze of gene specifieke ervaring en in die zin uitstijgt boven de materiële werkelijkheid.

Kenmerkend voor de moderne westerse cultuur is dat de werkelijkheid in de eerste plaats wordt ervaren als bewerkbaar materiaal. Manipulatie is de norm voor de houding van de mens tegenover deze werkelijkheid. Het zelfbeschikkingsrecht, de autonomie is de norm voor de houding van de mens ten opzichte van de medemensen en de houding tegenover het transcendente wordt volgens haar gekenmerkt door afstandelijkheid.

Deze afstandelijkheid tegenover het transcendente uit zich in een vergaand dualisme ten aanzien van de werkelijkheid. De materiële, rationeel kenbare wereld heeft in onze hedendaagse cultuur het ontologisch primaat. Dit kosmisch dualisme houdt in dat de werkelijkheid wordt gezien als bestaande uit twee niet tot elkaar te herleiden grootheden, bijvoorbeeld geest en stof of het goede en het kwade. Deze ‘onttovering’ van de werkelijkheid leidt tot een verlies aan zingeving voor het leven en daardoor een afname van de levenskwaliteit.

De taak van een filosofie van onze cultuur is volgens Brugmans te omschrijven als ten eerste, het ontwikkelen van een kritische analyse van de drie grondhoudingen en ten tweede, het ontwikkelen van constructieve reflecties op de drie grondhoudingen. In dit essay ligt de nadruk op de houding tegenover het transcendente. In de volgende twee paragrafen zal een kritische analyse van het begrip transcendentie en de houding ten aanzien van transcendentie gegeven worden aan hand van in de cursus gepresenteerde visies. In de laatste twee paragrafen wordt een constructieve reflectie op de omgang met het transcendente opgesteld.

Transcendentie en religie

Paul van Tongeren betoogt dat de omgang met het transcendente geen aparte activiteit is ter bekroning van andere activiteiten, maar een voorwaarde voor het mens zijn.5 De omgang met het transcendente is volgens hem kenmerkend voor alle menselijke ervaringen. In het godsdienstig geloven wordt, volgens van Tongeren de transcendentie verbonden met een voorstelling van het transcendente. Religieus of godsdienstig geloof kan vanuit de filosofie beschreven worden als een bepaalde realisering van dit fundamentele geloven. In de verschillende godsdiensten wordt op onderscheiden wijzen het aansprekende verbonden met de voorstelling van een transcendente werkelijkheid; de erkenning van transcendentie wordt geformuleerd in de vorm van een gehoor geven aan het goddelijke spreken.

De religieuze praktijk is aldus een uitbeelding van het transcendente in het immanente, een materiële concretisering van het spirituele. Dit wordt onder meer uitgewerkt in de verschillende soorten rituelen, gebeden, meditaties, religieuze geschriften en religieus geïnspireerde beeldende kunst. In alle verschillende religieuze tradities zijn deze vormen van de omgang met het transcendente te herkennen.

Vooral in oude culturen is er een sterke verbinding tussen het immanente en het transcendente. De oude culturen konden nog magisch zijn omdat ze geen scheiding maakten tussen het profane en het heilige. Een huis was een nuttig ding ter bescherming, maar ook bijvoorbeeld een symbool van de kosmos, een nabootsing van het werk van de goden.6

Van Tongeren betoogt verder: “Religiositeit is een verhouding aangaan met het transcendente, door deze te verbinden met de voorstelling van een transcendente werkelijkheid, of van een persoon die ons aanspreekt. Terwijl enerzijds de concrete gedaante van het transcendente een verhouding ertoe mogelijk maakt, bedreigt anderzijds die verhouding mogelijkerwijs de transcendentie ervan”.7

De etymologie van het woord religie vindt zijn oorsprong in het Latijnse woord religio, hetgeen vastbinden of vastmaken betekent. In de culturele antropologie wordt religie op verschillende wijzen gedefinieerd; één benadering ziet religie als de relatie van de mens tot een bovennatuurlijke of niet-empirische werkelijkheid, of als die bovennatuurlijke of niet-empirische werkelijkheid zelf. Religie is dus de verbinding tussen het transcendente en het immanente, de relatie tussen de materiële en de spirituele wereld. Het leven speelt zich af in deze verbinding, het speelt zich af in een verlangen naar het transcendente. Van Tongeren beschrijft het gevaar van een vergaande immanering van het transcendente. Al het heilige wordt ontwijd en de mensen worden gedwongen om hun situatie en betrekkingen met nuchtere ogen te bezien. Omgekeerd is er een gevaar dat de immanente werkelijkheid transcendent wordt gemaakt hetgeen zal leiden tot een ontkenning van het materiële.

Religie is volgens Van Tongeren, de cultuur van het geloven als affectieve verhouding tot transcendentie. In een religieuze cultuur gaat het om een zodanige voorstelling van het transcendente dat transcendentie en immanentie gecombineerd worden. We kunnen, zo vervolgt hij, misschien zelfs stellen dat een cultuur religieuzer is naarmate zij er meer in slaagt het transcendente voor te stellen op een manier die transcendentie en immanentie combineert, dat wil zeggen: in onvermijdelijk paradoxale symbolen.

Het als bron van waarheid aanvaarden van de onvermijdelijk paradoxale symbolen bij het combineren van transcendentie en immanentie is een onacceptabel gegeven voor de moderne wetenschapper. Sommige vooraanstaande fysici denken zelfs dat de natuurkunde binnen afzienbare tijd alles zal begrijpen, het hele universum samengevat in enkele simpele formules. Recente wetenschapsfilosofische theorieën, zoals bijvoorbeeld de leer van de paradigma’s van Thomas Kuhn en de wetenschapsantropologie van Bruno Latour, hebben echter overtuigend aangetoond dat dit positivisme ongegrond is en dat ook wetenschap is opgebouwd uit irrationele, subjectieve elementen.8 Subjectieve ervaringen zijn onontbeerlijk voor de wetenschap, omdat die gebaseerd is op het contact tussen het subject en de wereld. Empirische wetenschappen veronderstellen immers een relatie tussen de onderzoeker en de fysische wereld bijvoorbeeld in de waarneming. De kloof tussen de werkelijkheid en het transcendente wordt hiermee aanzienlijk verkleind.

Modern Nederlands Humanistisch Denken

Het modern Nederlands humanistisch denken als levensbeschouwing, door Fresco het vierde humanisme genoemd, wordt zijns inziens gekenmerkt door drie belangrijke uitgangspunten.9 Ten eerste wordt er uitsluitend een beroep gedaan op de menselijke vermogens. Ten tweede houdt het een opdracht tot zingeving en respect in en ten derde is er de opdracht tot individuele zelfontplooiing in de samenleving.

Sommige kenmerken van modern humanisme vinden wij volgens Fresco ook bij calvinisten en katholieken, maar er zijn ook grote verschillen. Een groot verschil is de theonomie, er wordt in het humanisme immers uitsluitend een beroep gedaan op menselijke vermogens en met name de rede.

In de westerse cultuur wordt de rede veelal als enig betrouwbare van de menselijke vermogens gezien. In het gangbare model van de wetenschap wordt de nadruk gelegd op wat zintuiglijk waarneembaar, experimenteel toetsbaar en kwantitatief vaststelbaar is. Dit heeft tot gevolg dat vele aspecten van de werkelijkheid ongezien blijven. Volgens de Nederlandse fysicus Hendrik Casimir zijn natuurkundige theorieën een benaderende beschrijving van een beperkt gedeelte van de fysische verschijnselen die op hun beurt slechts een beperkt gedeelte van onze menselijke ervaringen uitmaken.

Fresco vervolgt: “Een modern humanist echter heeft oog voor het mysterieuze dat aan dat spel van de materie te grondslag ligt, nog afgezien daarvan dat de moderne natuurwetenschappen sedert 1900 de primitieve opvattingen die aan dergelijk materialisme ten grondslag lagen, volledig achterhaald hebben”.10

Met de door de natuurwetenschappen inzichtelijk gemaakte wetmatigheden van de materiële natuur kunnen bijna magische prestaties geleverd worden. Met behulp van vergelijkingen en modellen ontwikkelen natuurkundigen en ingenieurs vindingen als televisie, kernenergie en computers, er lopen mensen op de maan en er worden nieuwe eilanden gebouwd. Maar kunnen deze wetten en theorieën ook een levensbeschouwing funderen? Kunnen zij de mens zijn plaats in het heel al wijzen, een weg naar de diepere zin van het bestaan? Er zijn natuurkundigen,

zoals bijvoorbeeld Stephen Hawking, die menen dat een verdere uitwerking van de natuurkunde op den duur alle vragen over de oorsprong en de zin van het leven zal oplossen. Hawking schrijft dat zodra we een volledige theorie ontdekken, deze na verloop van tijd voor iedereen begrijpelijk zal zijn, niet alleen voor een handjevol geleerden. Dan kunnen volgens hem allen, filosofen, geleerden, en gewone mensen, deelnemen aan de discussie over de vraag waarom wij en het heelal bestaan. Wanneer we het antwoord op die vraag kennen is dat de bekroning van het menselijk verstand — want dan kennen we volgens Hawking de geest van God.11

Hawking overschat de mogelijkheden van de rede en ontkent in dit citaat het transcendente deel van de werkelijkheid. De stelling van Fresco dat de moderne wetenschappen de primitieve opvattingen die aan het materialisme ten grondslag liggen achterhaald hebben is dus niet helemaal juist. Er zijn wetenschappers die in hun theorieën zowel het immanente als het transcendente proberen te verdisconteren, zij proberen tot een soort ‘Grote Unificatie Theorie’ te komen waarbij zowel het transcendente als het immanente middels één overkoepelende immanente theorie worden beschreven. Echter, beide delen van de werkelijkheid worden beheerst door verschillende wetmatigheden. Ieder deelgebied wordt beschreven in zijn eigen taalspel. Het transcendente deel van de werkelijkheid kan beschreven worden in teleologische termen, bijvoorbeeld door aan te geven dat de menselijke soort een bepaald doel heeft in plaats van te stellen dat deze het gevolg is van een toevallige samenloop van omstandigheden in de evolutie. Het immanente deel van de werkelijkheid wordt het beste beschreven, zoals uit het succes van de natuurwetenschappen is gebleken, aan hand van deductief-nomologische modellen waarin een verschijnsel wordt verklaard door aan te geven van welke oorzaak het een gevolg is.

Fresco betoogt verder dat het humanisme de rede niet als enige bron voor alle kennis beschouwt, maar wel als enige bron waarop de mens zich redelijkerwijze kan beroepen. Een mens moet alleen aanvaarden aan kennis en normen wat hij kan verantwoorden, alleen dat waarvan hij rekenschap kan afleggen. Rationalisten van de oude stempel denken dat dit altijd kan, moderne humanisten niet, maar zij denken dat je het tot het uiterste moet proberen. Daarmee zijn de emoties niet uitgebannen of ondergeschikt geraakt, wel zijn zij voorwerp van kritische toetsing, anders zou elke hysterische, demagogisch opgezweepte menigte gelijk hebben.

De vraag is nu: welke kennis is redelijk te verantwoorden? Is de enige zekere kennis die kennis die verkregen is door zintuiglijke waarneming? Zo ja, welke zintuigen zijn dan betrouwbaar en welke niet? In het humanisme worden volgens Fresco uitsluitend die ervaringen aanvaard die rationeel zijn te verantwoorden, ook al ziet men blijkbaar in dat dit niet altijd mogelijk is. Kennis kan echter ook op vele niet rationele manieren worden verkregen. Dromen zijn bijvoorbeeld in een religieuze cultuur altijd een zeer belangrijke bron van kennis. Uit de geschriften van Plato bijvoorbeeld blijkt dat zijn leermeester Socrates veelvuldig geïnspireerd is door het transcendente.12

Fresco houdt toch nog vast aan de rede als enige geldige bron van betrouwbare kennis. Modern humanisme dient echter te worden uitgedaagd om het begrip redelijke kennis te verbreden, alleen dan kan de afstandelijkheid tot het transcendente verkleind worden.

Omgaan met het transcendente

De hedendaagse filosoof Alfred North Whitehead heeft eens opgemerkt dat de hele westerse filosofie in feite een voetnoot bij het werk van Plato is, en ook dit essay zoekt aansluiting bij zijn werk. Plato’s filosofie staat bekend om haar dualisme.

Deze tweedeling die Plato in de werkelijkheid ziet, de scheiding tussen het onveranderlijke, ware zijn en de veranderlijke zichtbare wereld, correspondeert met de tweedeling in de mens tussen ziel en lichaam. Plato maakt hier een duidelijke scheiding tussen de immanente veranderlijke, materiële wereld en de transcendente, onveranderlijke spirituele wereld. Deze scheiding van het immanente en het transcendente is er, via het neoplatonisme, de oorzaak van geweest dat de omgang met het transcendente in onze cultuur tot in deze tijd beheerst wordt door de afstandelijkheid. Dit door Plato geïnspireerde dualisme is de voornaamste reden dat in de westerse cultuur de houding ten aanzien van het transcendente wordt gekenmerkt door afstandelijkheid.

Zoals uit de voorgaande paragrafen blijkt is het noodzakelijk de afstandelijkheid tegenover het transcendente te verkleinen door een verbreding van het werkelijkheidsbesef. In de brede definitie van de werkelijkheid zijn het transcendente en het immanente beide een integraal deel van de werkelijkheid. In deze holistische visie is er dus geen immanente of transcendente wereld, ze maken beiden integraal deel uit van de ene werkelijkheid. Het begrippenpaar transcendent–immanent is zo een instrument geworden om verschillende polarisaties van de werkelijkheid te kunnen benoemen. De mens leeft in het spanningsveld tussen deze beide polarisaties. Aan de ene kant is er de opgang van het materiële naar het spirituele, de transcendentie en aan de andere kant de gang van het spirituele naar het materiële, de immanentie. Deze twee stromen dienen in een bepaalde gezonde verhouding tot elkaar te staan. Een te grote aandacht voor de transcendentie heeft een fundamentalistische visie tot gevolg die tot algehele ascese leidt en, in Nietzscheaanse termen ‘ontkenning van het leven’. Verwaarlozing van het spirituele leidt tot sciëntisme met als gevolg de onttovering van de werkelijkheid en het daaruit volgende verlies aan zingeving.

De door Brugmans gedefinieerde grondhoudingen zijn in feite niet geheel autonoom. Ze zijn in essentie te reduceren tot een enkele grondhouding, namelijk de houding ten aanzien van de werkelijkheid in de brede zin van het woord. De medemens werd door Brugmans reeds gedefinieerd als een deelverzameling van de werkelijkheid. In een breed werkelijkheidsbesef is echter, zoals reeds betoogd ook het transcendente een integraal deel van de werkelijkheid. Zoals van Tongeren reeds stelde gaat het in een religieuze cultuur om een zodanige voorstelling van het transcendente dat transcendentie en immanentie gecombineerd worden. Het transcendente en het immanente zijn beide integrale delen van één werkelijkheid die los van elkaar geen bestaansrecht hebben.

De grondhouding ten aanzien van deze breed gedefinieerde werkelijkheid is het streven naar manipulatie, beïnvloeding van de werkelijkheid. Het manipuleren van het immanente, materiële deel van de werkelijkheid gebeurt middels de techniek.

Het manipuleren van het transcendente, spirituele deel van de werkelijkheid gebeurt middels de religie. In de religie bewerkstelligt men deze manipulatie hoofdzakelijk middels rituelen, verschillende vormen van meditatie, orakels, droomduiding en diverse geneeswijzen. In de katholieke kerk bijvoorbeeld bewerkstelligt men deze manipulatie van het transcendente voornamelijk middels de zeven Sacramenten. Dit zijn heilige handelingen en woorden over het algemeen uitgevoerd door de priester. Dit zijn bijvoorbeeld, het Sacrament van het Heilige Doopsel, de Heilige Eucharistie, de Biecht en het Heilige Sacrament van het huwelijk.13

Men kan hiertegen verweren dat de manipulatie van het transcendente deel van de werkelijkheid uiteindelijk tot doel heeft de materiële wereld te beïnvloeden. Een regendans is immers een verzoek aan de goden (transcendent) om de droge aarde (immanent) van water te voorzien. Deze visie is echter het gevolg van de kunstmatige scheiding tussen het transcendente en het immanente. In een holistische visie op de werkelijkheid is deze tegenwerping niet relevant.

Conclusies

Samengevat kan worden gesteld dat door een breed perspectief op de werkelijkheid te ontwikkelen het transcendente en het immanent beide deel van één zelfde werkelijkheid worden. Deze houding tegenover het transcendente en het immanente zal dan beheerst worden door de poging tot beïnvloeding en manipulatie van deze werkelijkheid. Om dit breed werkelijkheidsperspectief te kunnen internaliseren is echter een bepaalde intellectuele moed nodig, de moed om bestaande dogma’s te kunnen doorbreken. Het betekent het loslaten van de ogenschijnlijke absolute zekerheid van de wetenschap en het ontwikkelen van de eigen intuïtie.

De in de inleiding beschreven ontkerkelijking van de laatste dertig jaar is onder andere te wijten aan de houding ten aanzien van het transcendente van de christelijke kerk. De fundamentele oorzaak hiervan ligt waarschijnlijk in de platonische basis van de christelijke filosofie en het monopolie van de priesters en predikanten op het gebied van spiritualiteit. De gelovigen zijn gedwongen tot passief deelnemen aan het ritueel en het overgrote deel van de kerkgangers is niet bekend met de diepere zin van de rituelen. In meer primaire culturen, zoals in de foto op de voorpagina heeft de priester of sjamaan ook een speciale rol, maar er is een veel kleinere afstand tot het transcendente, niet in de laatste plaats doordat de leden van de stam actief deelnemen aan de rituelen. Dit kan een verklaring zijn voor de grote populariteit die de zogenaamde alternatieve religies tegenwoordig kennen, beter bekend onder de modieuze term New-Age. De vraag in hoeverre nog ander factoren hebben bijgedragen tot de ontkerkelijking heb ik hier niet verder onderzocht. De hierboven beschreven afstandelijkheid in de christelijke kerk bestaat natuurlijk al veel langer dan dertig jaar en er zullen daarom nog andere, buiten de kerk liggende, mechanismen zijn die als oorzaak van de ontkerkelijking aan te merken zijn.

In zijn meest spirituele vorm kent het christendom ook een zeer nauwe band met het transcendente. Om dit te illustreren tot slot van dit essay een gedicht van de metropoliet Ignatios van Lattaquié waarin de gevolgen van een kerk zonder heilige geest, een leven zonder binding met het transcendente, wordt beschreven.

Zonder Heilige Geest is God ver verwijderd;
Blijft Christus in het verleden;
De Evangelie dode letter;
Het gezag een overheersing;
De missie een propaganda;
De eredienst een bezwering;
Het christelijke leven een slavenmoraal.

Noten


  1. Essay in het kader van de cursus Cultuurfilosofie vanuit Levensbeschouwelijke Perspectieven, deel uitmakend van het Academisch Kernprogramma Filosofie van de Open Universiteit Heerlen. 

  2. Gerard Dekker, Joep de Hart en Jan Peters, God in Nederland 1966–1996, (Amsterdam: Anthos, 1997). 

  3. Paul van Tongeren, ‘Transcendentie, leven, denken’, in: Cultuurfilosofie vanuit levensbeschouwelijke perspectieven, deel 3, (Heerlen: Open Universiteit, 1994). 

  4. Edith Brugmans, ‘Kritische analyse van de moderne grondhoudingen’, in: Cultuurfilosofie vanuit levensbeschouwelijke perspectieven, deel 1, (Heerlen: Open Universiteit, 1994). 

  5. van Tongeren 1994 

  6. Mircea Eliade, De magie van het alledaagse, de transcendentie van het dagelijks leven

  7. van Tongeren (1994). 

  8. C. Widdershoven-Heerding, Wetenschapsleer, (Heerlen: Open Universiteit, 1995). 

  9. M.F. Fresco, ‘Modern Nederlands humanistisch denken’, in: Cultuurfilosofie vanuit levensbeschouwelijke perspectieven, deel 1, (Heerlen: Open Universiteit, 1994). 

  10. Ibid. 

  11. Stephen Hawking, Het Heelal, (Amsterdam: Bert Bakker, 1988). 

  12. Zie bijvoorbeeld: Euthyfron 3b, Apologia 31d, Faidros 242b-c, Euthydemos 272c, Politeia 496c. 

  13. De schoolkatechismus, (Amsterdam en Antwerpen: De Arbeiderspers, 1997). 

2 reacties op “Omgaan met het Transcendente

  1. Valère,

    Wat je beschrijft is de onttovering van de werkelijkheid, zoals beschreven door Max Weber. Het idee dat de wetenschap langzaam het transcendente erodeert is een foutief beeld. Science fiction schrijver Arthur C. Clarke schreef dat alle ver ontwikkelde technologie niet onderscheidbaar is van magie. Deze logica volgend zou wetenschap en technologie langzaam het transcendente opslokken.

    Het transcendente en het immanente zijn verschillende ervaringsgebieden van de mens en dienen met verschillende ‘wetenschappen’ beschreven moeten worden. Het transcendente, zoals ik het nu zie is een psychologische staat van zijn die nauw samenhangt met betekenisgeving. Het immanente is de fysieke wereld van alledag. Het transcendente kan niet, zoals de immanente wereld, verklaard worden, alleen begrepen.

    Voor een uitgebreide beschrijving van het verschil tussen wetenschap en magie, zie ook mijn Engelstalige boek: Perspectives on Magic en lees het gratis hoofdstuk.

    groeten

    Peter Prevos

  2. >>>>De religieuze praktijk is aldus een uitbeelding van het transcendente in het immanente, een materiële concretisering van het spirituele.>>>>

    -Naarmate de wetenschappen vorderen wordt het ook moeilijker om het transcendente te zien in het immanente .
    -Mythen en andere bijbel-sprookjes van weleer worden steeds minder aanvaard als taferelen van dat transcendente .
    -Alleen een zekere aanname van het ‘absolute in het logische zijn’ kan als een vorm van ‘ietsisme’ aanvaard en gezien worden als het transcendente
    -Want geloven doen we tenslotte allemaal … -Valère De Brabandere-

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *