Synthese: Antropologie en Familiegeschiedenis

Peter Joseph Prevos en zijn gezin (Bron: Netteke Prevos).

Peter Joseph Prevos en zijn gezin (Bron: Netteke Prevos).

In de vorige hoofdstukken is het ontstaan en de ontwikkeling van de families Prevaes, Prevos en Prevaas chronologisch beschreven. In dit hoofdstuk wordt getracht een breder beeld van de beschreven families te geven aan hand van de thema´s verwantschap en levensloop.

Dit hoofdstuk is geschreven vanuit een antropologisch perspectief. De antropologie sluit namelijk heel goed aan bij wat men in een familiegeschiedenis bestudeert. Een familiegeschiedenis is immers een studie van verwantschapsbanden, een thema dat binnen de antropologie uitgebreid is bestudeerd en beschreven.

Verwantschap en Antropologie

Verwantschap berust in beginsel op biologische relaties tussen individuen en groepen. Volgens de antropoloog Peter Kloos is verwantschap echter meer dan een netwerk van genetische relaties tussen mensen, het is voornamelijk een cultureel en geen biologisch verschijnsel.1 Elk individu is verwant aan talloze andere individuen, maar lang niet al deze relaties worden ook sociaal of cultureel erkend. Verwantschap is volgens Peter Kloos daarom een taal waarin de structuur van de samenleving beschreven wordt.2 Bijna iedere samenleving heeft zijn eigen verwantschapssysteem en binnen de antropologie zijn vele verschillende verwantschapssystemen bestudeerd en beschreven. Er zijn bijvoorbeeld systemen waarbij afstamming niet in de lijn van de vader, zoals in Europa het geval is, maar in de lijn van de moeder wordt gevolgd. Ook het belang van de diverse verwanten verschilt per cultuur. In wat men in de antropologie bijvoorbeeld het Hawaiiaanse verwantschapssysteem noemt worden broers en zussen van de ouders allen vader en moeder genoemd en dezer zonen en dochters worden allen broer en zus genoemd, hiermee het belang van de relatie aanduidend.3

Om het verschil tussen verwantschap in biologische zin en het culturele besef van verwantschap aan te geven wordt in de culturele antropologie de Engelse term kinship gebruikt. Kinship is een erkende verwantschap tussen twee of meer individuen. De kin van een bepaalde persoon, in de antropologie meestal aangeduid met de term ego, is die groep van verwanten die deze persoon daadwerkelijk als verwanten beschouwd. Kinship is aldus een relatief begrip dat afhankelijk is van culturele factoren. Voor ieder individu bestaat zijn kin weer uit andere personen. In het West-Europese systeem wordt een slechts een beperkt deel van het totaal aan verwanten tot de kin van een bepaalde persoon beschouwd. In onderstaand schema is een familie weergegeven met daarin de benamingen zoals die tegenwoordig binnen de Nederlandse samenleving gebruikelijk zijn. Uitgangspunt is een ongehuwde persoon (ego), zonder kinderen. Deze benamingen zijn echter geheel afhankelijk van de cultuur waarin men leeft. In andere culturen is het bijvoorbeeld gewoon om ooms en tante respectievelijk vader en moeder te noemen.

Overzicht van verwantschapsbanden in Nederland.

Overzicht van verwantschapsbanden in Nederland.

Alhoewel in deze familiegeschiedenis veel personen met een zelfde naam worden beschreven zullen deze zich niet allen als familie beschouwen. Zo ben ik verwant met mensen die Prevaes heten, maar ik beschouw hen niet als familie; ze maken geen deel uit van mijn kin. In deze familiegeschiedenis wordt het woord familie dan ook gebruikt om een groep bloedverwanten met een zelfde familienaam aan te geven en niet een groep personen die zich als en familie beschouwt in de culturele zin van het woord.

Familiebetrekkingen spelen ook een rol in het ordenen van het verleden. Dit verleden is altijd genealogisch geweest, totdat de mensen elkaar uit het oog verloren. De genealogie was de natuurlijke structuur van het collectieve dorpsverleden.4 Hier wordt mee bedoeld dat men personen altijd relateert aan een bepaalde familie. Tegenwoordig worden mensen niet met hun familie, maar meer met hun beroep en sociale status geïdentificeerd.

De vraag die in dit hoofdstuk zal worden gesteld is of binnen de beschreven families het besef van kinship aan veranderingen onderhevig is geweest. Waren de familieverbanden breder of smaller dan tegenwoordig? Volgens de La Haye kende men elkaar vroeger tot in verre graden,5 maar was dit ook zo voor deze familie?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden dient de in de vorige hoofdstukken beschreven familiegeschiedenis nader worden beschouwd. Met name zal de identiteit van de getuigen bij doop en huwelijk worden bekeken. Een doopgetuige heeft bijna altijd een verwantschapsband met de ouders van de dopeling. Meestal wordt een broer of zus van de ouders gevraagd om deze rol te spelen. Dit gegeven wordt om die reden binnen de genealogie dan ook gebruikt als middel van bewijsvoering. Door al deze gegevens naast elkaar te zetten kan men een goed beeld krijgen van de structuur van een familie.

De Zeventiende Eeuw

Grendelpoort in Valkenburg.

Grendelpoort in Valkenburg.

Gedurende de gehele zeventiende eeuw woonde de familie in Prevoost Valkenburg. Het is opvallend dat pas in de derde generatie leden van de familie Prevoost als doopgetuigen gaan optreden. Dit is het geval omdat de familienaam in het begin van de zeventiende eeuw aldaar is ontstaan. De aanwezige doopgetuigen waren waarschijnlijk familieleden met een andere naam, vrienden of misschien ook wel de koster of zijn vrouw. Deze banden zijn echter nergens vastgelegd. Binnen de familie worden in deze periode de doopgetuigen vanaf de derde generatie vrijwel uitsluitend uit de naaste familie betrokken. Op enkele uitzonderingen na zijn de doopheffers de ouders of broer en zus van de ouders van de dopeling.

De leden van de familie Prevoost zijn ook doopheffers bij de doop van leden van andere families. Zo is Daniel Prevoost doopheffer bij de doop van Daniel Janssen. De vader van de dopeling, Eusibius is vervolgens getuige bij de doop van de zoon van Daniel Prevost met gelijke naam. De families Janssen en Prevoost zijn voor zover bekend verder niet aan elkaar verwant. De twee vaders, Daniel Prevoost en Eusibius Janssen, zullen dus waarschijnlijk vrienden van elkaar zijn geweest. Daniel Prevost en Gerardus Thomissen waren getuigen bij het huwelijk van hun respectievelijke zus en broer, Petronella Prevoost en Joannes Thomissen. Daniel Prevoost is vervolgens getuige bij het huwelijk van Gerardus Thomissen. Ook hier kunnen we waarschijnlijk spreken van een vriendschapsband. Van twee van de kinderen uit het huwelijk tussen Petronella Prevost en Joannes Thomissen is een huwelijksinschrijving bekend. Bij deze huwelijken treedt steeds een lid van de familie Prevost op als getuige. In beide gevallen betreft het een neef of nicht van de bruid of bruidegom. Bij de doop van de kinderen uit deze huwelijken zijn echter geen leden van de familie Prevost als doopgetuigen aanwezig. Doopgetuigen werden blijkbaar uitsluitend uit de directe familie betrokken.

De Achttiende Eeuw

Torenmolen van Gronsveld in 1997 (Foto: Peter Prevos)

Torenmolen van Gronsveld in 1997 (Foto: Peter Prevos)

Joannes Prevost verhuisd aan het einde van de zeventiende eeuw naar Gronsveld om aldaar in 1690 te huwen met Agnes Huijnen (zie hoofdstuk III). Tijdens dit huwelijk is zijn broer Ferdinandus uit Valkenburg als getuige aanwezig. Uit dit huwelijk zijn acht kinderen voortgekomen, bij slechts één van deze kinderen was een lid van de Valkenburgse familie als doopgetuige aanwezig. Bij de doop van de kinderen van de Valkenburgse familie, uit die zelfde generatie, waren er wel familieleden als doopgetuigen aanwezig.

Het is mogelijk dat Joannes Prevoost bewust de banden met zijn familie in Valkenburg heeft verbroken. Meer waarschijnlijk is dat de verhuizing van het toen onder Staatse controle vallende Valkenburg naar de vrije rijksheerlijkheid Gronsveld in de praktijk betekende dat er nauwelijks nog contact was tussen de beide takken van de familie. Er ontstaan aldus twee aparte families. In Valkenburg vormen de achterblijvers het begin van de families Prevo en Prevoo. Het patroon van doop- en huwelijksgetuigen in Gronsveld is nagenoeg hetzelfde als in de eeuw daarvoor. De doopheffer is meestal uit dezelfde generatie als de ouders van de dopeling, over het algemeen een broer of zus.

Conclusie

Uit dit onderzoek is niet gebleken dat familieleden elkaar kenden tot in verre graden. Een verhuizing van Valkenburg naar Gronsveld bleek al genoeg om de familie in twee delen te splitsen, die elkaar na een generatie al niet meer kenden. Uit het onderzoek naar doopgetuigen blijkt dat het familie-geheugen binnen deze familie niet verder terug gaat dan twee of drie generaties. Uit het patroon van doop- en huwelijksgetuigen blijkt dat ook binnen een bepaalde gemeenschap slechts een deel van de verwanten als kin werden beschouwd. De vraag is echter of dit ook in algemene zin het geval is, hier is immers slechts één familie bestudeerd. Zie mijn onderzoek naar de Inwoners van Heugem voor meer over dit onderwerp.

De Levenscyclus

Leeftijd komt in verschillende samenlevingen op uiteenlopende manieren tot uitdrukking. Een zekere periodisering van een mensenleven is echter de regel.6 In deze paragraaf wordt de levenscyclus van de in deze familiegeschiedenis beschreven personen nader uitgewerkt door vier fasen in het leven te analyseren. De grenzen tussen de overgangen van de ene naar de andere fase worden in de meeste culturen gekenmerkt door een overgangsritueel, een rites de passage. In de Katholieke kerk maken deze rituelen deel uit van de Heilige Sacramenten. In de hierna beschreven periodes vormen deze kerkelijke rituelen de leidraad.

Trap des Ouderdoms

Geboorte

De levensloop van iedere persoon begint natuurlijk met de geboorte. De geboorte wordt in de Katholieke kerk ritueel bevestigd met het Heilig Doopsel. De doop is het eerste en ook belangrijkste sacrament binnen de katholieke kerk. Door dit ritueel wordt, volgens de Catechismus, de erfzonde vergeven en het recht op de hemel geschonken.7 Volgens de Catechismus wordt men door de doop herboren tot het bovennatuurlijke leven en tevens lid van de kerk.8 De doop is aldus een heel belangrijk ritueel binnen de katholieke kerk.

Een kind werd vanwege het grote belang van dit ritueel vrijwel altijd direct na de geboorte gedoopt, er bestond namelijk een grote kans dat de nieuw geborene niet oud zou worden en aldus niet gedoopt werden. Van die personen waarvan binnen deze familiegeschiedenis geboorte- én doopdatum bekend zijn (tussen 1797 en 1846) zien we dat de doop, op een enkele uitzondering na, altijd op de geboortedag plaats vind.

Tijdens een doop zijn altijd getuigen aanwezig, de doopheffers ofwel peter en meter. De peter en meter moeten, samen met de ouders, zorgen dat het kind in de Katholieke godsdienst wordt opgevoed.9

Een belangrijk aspect van de doop is de naamgeving. De voornamen die de pastoor van de vader van de boreling in het Nederlands of, meer waarschijnlijk, in dialect van de ouders hoort, noteert hij in zijn doopboek in Latijn. Hij zoekt daarbij een passende heilige. In de achttiende eeuw wordt een groot deel van de mannen van de familie Prevaes Joannes genoemd. Hoe zij in werkelijkheid door hun familieleden genoemd werden is niet bekend, namen als Jan, Sjeng of Jean zullen veelvuldig zijn voorgekomen.

Voornamen werden in het verleden volgens een traditioneel systeem van vernoeming betrokken uit de directe familie. De oudste zoon krijgt in de regel de naam van zijn grootvader van vaderszijde, de oudste dochter de naam van haar grootmoeder aan vaderszijde. Als deze in grootouders nog in leven zijn, treden ze tevens op als doopheffers. De tweede zoon krijgt de voornaam van zijn grootvader aan moederszijde, de tweede dochter van de grootmoeder aan vaderszijde. Daarna worden de kinderen vernoemd naar hun overgrootouders, of naar broers en zussen van de ouders.10

Tegenwoordig is naamgeving een meer willekeurige aangelegenheid. Kinderen krijgen een naam die de ouders om esthetische redenen kiezen en niet vanwege traditionele regels van naamgeving zoals hierboven beschreven. In deze familiegeschiedenis is dit systeem van naamgeving goed terug te vinden. Ook in de naamgeving is de breuk tussen de Valkenburgse en Gronsveldse tak van de familie goed zichtbaar. In Valkenburg blijft de naam Daniel veelvuldig in gebruik, terwijl deze in Gronsveld, op één uitzondering na, niet meer voorkomt.

De Kindertijd

Over de kindertijd van de hier beschreven personen is niets bekend. Het enige waar iets over geconcludeerd kan worden is de hoge kindersterfte. Van alle personen in deze familiegeschiedenis waarvan een geboorte- en overlijdensdata bekend is, overlijdt 25% voor de leeftijd van zeven jaar. Van deze kinderen haalt het overgrote deel de leeftijd van één jaar zelfs niet.

De leeftijd van zeven jaar is in veel culturen van groot belang. Als een kind deze leeftijd heeft bereikt, dan zal deze het hoogstwaarschijnlijk tot volwassenheid brengen en voor nageslacht zorgen. Daarom wordt in veel culturen op deze leeftijd een initiatieritueel gehouden.

Ook in de Katholieke kerk bestaat zulk een ritueel in de vorm van de Eerste Heilige Communie. Jammer genoeg zijn hiervan geen archieven beschikbaar en is het niet bekend in hoeverre dit ritueel van belang is geweest in het leven van mijn voorouders.

Het Huwelijk

Het primaire doel van het huwelijk is een verband te vormen waarbinnen voortplanting kan plaatsvinden. Maar ook in vorige eeuwen werden niet alle kinderen binnen een huwelijk geboren. Tussen 1750 en 1810 begon overal in Europa het aantal buitenechtelijke geboorten te stijgen tot vaak meerdere malen het zeer lage niveau van rond 1700. Tevens was er een stijging van het aantal voorhuwelijkse zwanger-schappen, hieronder verstaat men dat een kind binnen acht maanden na het huwelijk wordt geboren.11

Ook binnen deze familiegeschiedenis is deze tendens te bespeuren. Twee dochters van Joannes Franciscus Prevaes en Wilhelmina Bokhoven hebben een buitenechtelijk kind. In de periode daarvoor komt dit binnen deze familie in zijn geheel niet voor.

Engels sociaal historicus Edward Shorter ziet hier een seksuele revolutie gebeuren. De jongeren zouden zich volgens hem meer zijn gaan oriënteren op hun eigen gevoelens en minder rekening gaan houden met de waarden van de familie en de plaatselijke gemeenschap en zouden in toenemende mate zelf gekozen partners.12 Over de oorzaak van de sterke stijging in buitenechtelijke geboorten en voorhuwelijkse zwangerschappen is echter nog steeds veel controverse. Wel is duidelijk dat deze trend ook binnen de familie Prevaes zichtbaar is. Of het hier een seksuele revolutie binnen de familie betreft blijft echter een vraag.

Het Overlijden

Het overlijden is de laatste stap in het leven van een mens. Het overlijden is doordrenkt met gewoonten, rituelen en taboes en is daardoor een van de meest interessante onderzoeksonderwerpen voor een antropoloog. Sommige culturen, zoals bijvoorbeeld de oude Egyptische cultuur, waren geheel gestructureerd rond een dodencultus. De Griekse filosoof Pericles heeft in dit verband geschreven dat de beschaving van een volk valt af te lezen aan de wijze waarop men zijn doden bezorgt.

Met betrekking tot het overlijden zijn twee momenten van belang. Ten eerste het moment van overlijden zelf. Hierbij zijn de leeftijd en oorzaak van overlijden de meest bestudeerde factoren. Op het moment van overlijden wordt ook vaak een overgangsritueel uitgevoerd. Binnen de katholieke kerk wordt in dit verband aan de zieke het zogenaamde Heilig Oliesel toegediend. De tweede fase van het overlijden is de uiteindelijke begrafenis of crematie.

De gemiddelde leeftijd van alle binnen deze familiegeschiedenis beschreven personen is ongeveer zesenveertig jaar. Dit geldt natuurlijk uitsluitend voor die groep van personen waarvan zowel de geboorte- als de overlijdensdatum bekend is. Dit is bij slechts 28% van de in deze familiegeschiedenis beschreven personen het geval. Belangrijkste reden hiervan is dat in de zeventiende en achttiende eeuw de overlijdensregisters door de kerk niet volledig zijn bijgehouden.

Dit cijfer wordt tevens erg beïnvloed door het hoge percentage kindersterfte. Een vierde deel van de overleden personen zijn jonger dan tien jaar. Indien de kindersterfte niet wordt meegerekend dan is de gemiddelde leeftijd van de hierboven bedoelde personen zestig jaar. Het grootste deel van de personen overlijdt op een leeftijd tussen zeventig en tachtig jaar.

Het is, gezien de gefragmenteerde informatie, niet mogelijk om de verschillende perioden met elkaar te vergelijken.

In de kerkelijke overlijdensadministratie wordt regelmatig melding gemaakt van het feit dat de overledene het Heilig Oliesel heeft ontvangen. Het oliesel is binnen de katholieke kerk het ritueel dat de zieke kracht geeft om christelijk te sterven.13 Door dit laatste overgangsritueel wordt de zieke gesterkt in zijn laatste momenten. Niet iedereen kan dit oliesel ontvangen. De zieke moet hiervoor bij kennis zijn en hij moet het in staat van genade, dus bewust en gewild, ontvangen. Na het oliesel geeft de priester de pauselijke zegen, daardoor krijgt de zieke kwijtschelding van tijdelijke straffen, de zogenaamde volle aflaat. Als de priester het oliesel toedient zalft hij de vijf zintuigen van de zieke met heilige olie.14 Het is voor de pastoor belangrijk te weten welke van zijn parochieleden het oliesel wel en wie het niet heeft ontvangen. Daarom noteert hij dit in zijn overlijdensregister. We kunnen dus de conclusie trekken dat de desbetreffende persoon in dat geval aan een ziekte moet zijn overleden.

De laatste fase van het overlijden is het begraven of cremeren van de overledene. Crematie is in Nederland pas in de twintigste eeuw weer populair geworden. Daarvoor was het verplicht de doden te begraven. De verplichting tot het begraven van de doden werd overigens ingesteld in het jaar 785.15

Iedereen wilde het liefst in de kerk begraven worden en het begraven in de kerk was voor de parochie een enorme bron van inkomsten. Een groot nadeel echter was dat in de kerk bijna altijd de doordringende geur van rottende lijken in de lucht hing. Zelfs tijdens de mis of de preek werden begrafenissen uitgevoerd en vielen mensen zelfs flauw van de stank.16 Het begraven in een heilig gebouw is nader beschouwd een vreemd fenomeen. In de oudheid werd wel geofferd bij en in graven, maar voor de eredienst bestemde gebouwen werden zuiver gehouden van alles wat dood en dus onrein was. Dat de christenen het huis van de heer als begraafplaats gingen gebruiken heeft verschillende oorzaken. Financiële beweegredenen hebben het echter gewonnen van idealistische motieven.17

Het begraven in de kerk was echter voorbehouden aan diegene die het konden betalen. De leden van de families Prevost en Prevaes zullen dan ook naar alle waarschijnlijkheid niet in de kerk zijn begraven. Op de diverse parochie kerkhoven heb ik geen graven van voorouders kunnen ontdekken. De doden werden begraven zonder kist, gewikkeld in een laken of stromat.

| Inhoud | Vorige | Volgende |

Noten


  1. Peter Kloos, Culturele antropologie. Een inleiding (Assen 1995) 41. 

  2. Ibidem. 

  3. Ibidem 57. 

  4. Henk Nicolai, ´De genealogie van het voorwerp: Dierbare voorwerpen en familiecultuur bij de Kingma´s te Makkum´ in: Peter te Boekhorst (red.) Cultuur en maatschappij in Nederland 1500-1850 (Meppel 1992) 293. 

  5. Régis de La Haye, ´Wat bezielt de genealoog? Een overpeinzing op het raakvlak van genealogie en theologie´, LTG 17 (1989) 103-104. 

  6. Kloos, Culturele antropologie 73. 

  7. De schoolkatechismus (Amsterdam en Antwerpen 1997) 45. 

  8. Ibidem. 

  9. Ibidem 47. 

  10. Régis de La Haye, Limburgse voorouders (Maastricht 1994) 114-115. 

  11. Ton Zwaan (red.), Familie, huwelijk en gezin in West Europa (Amsterdam en Heerlen 1993) 179. 

  12. Edward Shorter, The making of the modern family (New York 1975) 86. 

  13. De schoolkatechismus 65. 

  14. Ibidem 66. 

  15. Henk L. Kok (red.), Begraven & begraafplaatsen. Monumenten van ons bestaan (Utrecht 1994) 20. 

  16. Ibidem. 

  17. Ibidem. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *