Analyse van de Bronnen

Inleiding

Bij het reconstrueren van het verleden zijn we aangewezen op het gebruik van documenten, kunstwerken, gebouwen en voorwerpen: de historische de bronnen. De onderzoeker voert zijn of haar onderzoek uit door vragen te stellen aan deze bronnen. In een familiegeschiedenis kan de vraag zijn: “Wie is de vader van Johannes?” of, “Wat is de relatie tussen Johannes en Henricus?”. In sociale geschiedschrijving worden meer algemene vragen gesteld, zoals: “Wat is het percentage kinderen dat voor het zevende levensjaar overlijdt?”. Om deze vragen te kunnen beantwoorden moet een onderzoeker een bron hebben waaruit het antwoord kan worden gehaald.

De centrale vraagstelling voor het onderzoek naar de inwoners van Heugem is: “Wat is de relatie tussen de inwoners van Heugem in 1796?”. Om deze vraag te kunnen beantwoorden wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van twee bronnen. De basis wordt gevormd door de inwonerslijst van Heugem, opgemaakt door de Franse bezetters in 1796. Om de relatie tussen deze personen te kunnen bepalen wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de doop–, trouw– en begraafregisters van de parochie H. Michaël te Heugem.

Bronnenkritiek

Een bronnenkritiek is een kritische beschrijving van een historische bron. Het woord kritiek moet echter niet worden opgevat als een negatieve kijk, maar als een grondige analyse. Elke bron heeft haar eigen wordingsgeschiedenis en is in beginsel niet geschreven om een antwoord te geven op de vragen van de onderzoeker.1 De vragen die aan een bron kunnen worden gesteld en de mogelijke interpretaties zijn daarom beperkt en afhankelijk van het type bron en de context waarin deze is ontstaan. Om inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden en beperkingen van een bepaalde bron, dienen aldus de volgende vragen te worden beantwoord:2

  1. Wat soort bron is het?
  2. Door wie, waar en wanneer is de bron opgesteld?
  3. Is de bron authentiek?
  4. Wat is de positie van de informant?
  5. Wat is de contemporaine context?
  6. Hoe betrouwbaar is de informatie?

In dit artikel zullen bovenstaande vragen met betrekking tot de voor dit onderzoek gebruikte bronnen worden beantwoord. Tevens wordt een samenvatting gegeven van de informatie die in deze bronnen voorkomt. Voor dit onderzoek is ook gebruik gemaakt van diverse secundaire bronnen. Dit zijn publicaties waar historische bronnen in het geheel zijn overgenomen. Bij dit soort bronnen spelen behalve de bovenstaande vragen ook andere aspecten een rol. Deze publicaties zijn als het ware drie stappen verwijderd van de originele bron. Ten eerste kunnen door het overnemen fouten ontstaan. Ten tweede moet de onderzoeker vaak gegevens interpreteren, vooral indien het gaat om bronnen in een vreemde taal of handschrift. Ten derde is een bronnenpublicatie vaak niet compleet.3 Deze publicaties dienen aldus voorzichtig te worden gebruikt en indien mogelijk te worden vergeleken met de originele bron.

Inwonerslijst 1796

Inwonerslijst Heugem 1796 (Regionaal Historisch Centrum Limburg).

Inwonerslijst Heugem 1796 (Regionaal Historisch Centrum Limburg).

In plaats van de originele bron in het Sociaal Historisch Centrum Limburg,4 is voor dit onderzoek een bronnenpublicatie gebruikt.5 In dit boek zijn de inwonerslijsten uit 1796, zoals opgemaakt door de Franse machthebbers in het voormalig kanton Eijsden, verbatim weergegeven.

De lijsten zijn opgemaakt door het bureaucratische apparaat dat na de inlijving van Nederland in de Franse republiek op 1 oktober 1795, werd opgezet. Een groot deel van Limburg maakte in de Franse Tijd deel uit van het Département de la Meuse-Inférieure, met als hoofdstad Maastricht. Heugem—dat tot aan de Franse inlijving deel uitmaakte van het Graafschap Gronsveld—maakte tijdens de Franse Tijd deel uit van het kanton Eijsden. Het kanton Eijsden omvatte het grondgebied van Eijsden, Breust, Gronsveld (waaronder Heugem), Mheer, Noorbeek, Mesch, Cadier, Rijckholt, Oost en aanverwante gehuchten. De inwonerslijsten voor het kanton Eijsden werden op 21 april 1796 door commissaris Bachelier van het Directoir Exécutief vastgesteld. De lijsten vormden een belangrijke bron van informatie voor de bezetter, met name voor het heffen van belastingen en het geven van een overzicht van mannen die beschikbaar waren voor de nieuwe ingevoerde dienstplicht.

De lijsten geven per gemeente, op straat en huisnummer, een beeld van de samenstelling van de huishoudens van alle personen ouder dan 12 jaar. Van ieder persoon wordt de familienaam, voornamen, leeftijd, beroep en relatie tot het hoofd van de huishouding weergegeven. Van kinderen jonger dan twaalf jaar wordt alleen het aantal vermeld dat in een huis woonachtig is. De inwonerslijsten bestaan uit negen kolommen:

  1. Huisnummer: De lijst voor Heugem telt 39 huizen met 154 inwoners.
  2. Namen van inwoners ouder dan 12 jaar: Familienaam en voornaam(en). Het hoofd van de huishouding wordt als eerste vermeld.
  3. Leeftijd: De opgave van de leeftijd is vaak niet erg nauwkeurig. Volgens Boersma is de marge 5 tot 10 jaar.6 Sommige scribenten rondden de leeftijd af op ronde getallen en het is ook niet ondenkbaar dat sommige inwoners van Heugem niet precies wisten hoe oud ze waren.
  4. Staat of beroep: De vermelding van het beroep wordt meestal beperkt tot het hoofd van het huishouden. Van de overige inwonenden wordt de relatie tot het hoofd van de huishouding weergegeven—vrouw, zoon, dochter, broer enzovoorts.
  5. Adres: Alle huizen in de lijst zijn opeenvolgend genummerd. Voor Heugem is een onderscheid gemaakt tussen de huizen ‘in het veld’ en ‘in het dorp’.
  6. Aankomst in de gemeente: Deze kolom geeft aan wanneer iemand zich in de gemeente heeft gevestigd. Voor Heugem is deze kolom niet ingevuld.
  7. Duur van verblijf: In deze kolom wordt aangegeven hoe lang iemand in de betreffende gemeente heeft gewoond. Deze kolom is niet ingevuld voor Heugem.
  8. Aantal kinderen jonger dan 12 jaar: Geslacht, leeftijd en relatie tot het hoofd van het huishouden worden niet weergegeven.
  9. Opmerkingen: Deze kolom is niet ingevuld voor Heugem.

De gegevens zijn niet altijd erg nauwkeurig, vooral van de leeftijden blijkt bij nader onderzoek niet veel te kloppen. Onnauwkeurigheden in de gegevens zijn volgens Bertrand veroorzaakt doordat aan de tellers geen specifieke richtlijnen waren verstrekt.7

De originele lijsten zijn vastgelegd in het Frans op voorgedrukte formulieren. De leesbaarheid van de originelen laat volgens Boersma soms te wensen over zodat er soms twijfel bestaat over de juiste weergave. Daar waar Boersma twijfelt over de juiste weergave is dat in de lijsten in het boek aangegeven.8 Voor Heugem zijn overigens nauwelijks opmerkingen of voorbehouden gemaakt over de interpretatie van de lijsten.

Doop- Trouw- en Begraafregisters

Het bijhouden van doop- trouw- en begraafregisters (DTB) werd in de Katholieke kerk verplicht gesteld ingevolge het Concilie van Trent, dat plaats vond tussen 1545 en 1563. Het concilie was een gevolg van de contrareformatie—een reactie op de protestante hervormingen die in deze tijd plaats vonden. Een van de doelstellingen van het concilie was het duidelijk vastleggen van de huwelijksmoraal en een einde te maken aan alle afwijkingen hiervan, met name polygame praktijken. Om dit te bewerkstelligen moest de pastoor een register van alle huwelijken aanleggen en bijhouden. Het Concilie verplichtte pastoors ook een register van dopen aan te leggen. Deze registers werden aangelegd om de zogenaamde huwelijks beletselen te kunnen bepalen. Begraafregisters maakten geen deel uit van de bepalingen van het concilie, deze werden uitsluitend aangelegd als financiële administratie van de ontvangen grafrechten.

De registers van Heugem

Titelpagina kerkregisters Heugem 1734–1798.

Titelpagina kerkregisters Heugem 1734–1798.

De doop- trouw- en begraafregisters van de parochie Heilige Michaël in Heugem vormen de primaire bron voor de verwantschapsanalyse. Deze registers zijn gedeponeerd bij het Rijksarchief Limburg in Maastricht en een facsimile van de boeken is beschikbaar voor algemeen gebruik. De registers zijn verdeeld over twee delen. Het eerste deel beslaat de periode van 1654 tot 1746. Het tweede deel bevat gegevens van 1734 tot 1798. Verder is er nog een los deel met gegevens uit het jaar 1770.9 De registers overlappen voor de jaren 1734 tot 1746 en 1770. De overlappende inschrijvingen zijn—op enkele uitzonderingen na—identiek. Voor dit onderzoek zijn uitsluitend de registers voor de periode 1734 tot 1798 gebruikt. Voor de periode vóór 1734 en na 1796 is gebruik gemaakt van secundaire bronnen zoals het werk van Paquaij en GenLias.10 Voor gegevens uit andere parochies is gebruik gemaakt van de GenDaLim cd-rom.

De kwaliteit van kerkregisters in Limburg is heel wisselend. Sommige pastoors waren heel secuur, andere waren vrij slordig.11 De registers van Heugem die voor dit onderzoek gebruikt (1734–1797) zijn over het algemeen accuraat bijgehouden; er zijn bijna geen doorhalingen, correcties of toevoegingen. Limburgse kerkregisters zijn nagenoeg allemaal in het Latijn gesteld. Vaak is dit ‘potjeslatijn’ en de inschrijvingen beperken zich doorgaans tot standaard formules.12 De gebruikte registers van Heugem zijn in correct Latijn opgesteld en over het algemeen goed leesbaar. In het register van Heugem komt één los briefje voor dat in het Nederlands is geschreven (25 october 1787). Voornamen worden in het registers in de correcte verbuiging weergegeven. In de transcriptie zijn alle voornamen teruggebracht tot het nominatief. Familienamen zijn letterlijk uit de registers overgenomen.

Heugem maakt in de onderzochte periode deel uit van het Bisdom Luik. De pastoor van Heugem is in deze periode Hubertus Severinus Josephus van Bloer. Hubertus is persona van Heugem. Dit betekent dat hij enkel pastoor is in titel, niet belast met de zielzorg, maar wel genietend van de inkomsten van het ambt. Zijn vaste vervanger was de vicaris, die formeel belast was met de zielzorg.13 De vicaris generaal voor deze streek is H. Rougrave, die alleen in het register voorkomt bij bijzondere gevallen, zoals huwelijksdispensanties. In 1791, de pastoor is dan 90 jaar oud, wijzigd het handschrift in de registers, waarschijnlijk wordt Hubertus te oud om de administratieve taken te verrichten.

Dopen

Het doopritueel werd verricht door de pastoor of de kapelaan. De inschrijving van de doop wordt over het algemeen volgens een vaste formule in het Latijn genoteerd:

[datum] baptizatus fuit [voornaam] filius legitimus [vader], et [moeder]; susceperunt [eerste getuige], et [plaatsvervanger] nomine [tweede getuige]

Tussen 1734 en 1797 zijn in Heugem 740 dopen geregistreerd, waarvan overigens vijf maal een tweeling. Van de dopelingen zijn 359 (48%) meisjes en 381 (52%) jongens. Het aantal dopen per jaar toont een licht stijgende lijn en het aantal dopen per jaar is in de onderzochte 65 jaar ongeveer verdubbeld.

Aantal dopen Heugem 1734-1797.

Aantal dopen Heugem 1734-1797.

In de registers worden 18 illegitieme kinderen vermeld, allen geboren tussen 1764 en 1789. Twee van deze kinderen worden middels een later huwelijk gelegaliseerd. Bij één van de illegitieme kinderen vermeldt de pastoor dat de geboorte van het kind aan hem door de vroedvrouw werd verklapt (Henricus Schepers, gedoopt op 3 januari 1764). Ook maakt de pastoor drie maal vermelding van het feit dat het echtpaar niet in Heugem gehuwd is.

In de katholieke traditie van Limburg wordt de doop op de eerste levensdag of de dag daarna voltrokken.14 De reden hiervoor was dat kinderen vaak slechts enkele dagen of weken leefden en men wilde er zeker van zijn dat het kind dan in het hiernamaals zou worden opgenomen. Bij 32 dopen wordt overigens vermeldt dat het kind kort na de doop is overleden. Peetouders werden vaak gekozen uit de naaste familie. Ook de koster, vroedvrouw en de buren werden soms gevraagd om als peter en meter te fungeren.15 De relatie tussen de peter en meter en de ouders van de dopeling wordt niet in de registers vermeld. De peter en meter konden overigens niet altijd bij de doop aanwezig zijn. In Heugem zijn bij 287 inschrijvingen één of twee getuigen niet aanwezig en gebruikt men vervangende doopgetuigen. Bij 160 dopen is de peter niet aanwezig en de meter is 127, hiervan zijn in 45 gevallen beide doopheffers niet aanwezig zijn. De reden van de afwezigheid van de doopheffers wordt niet vermeld.

In totaal worden bij alle inschrijvingen 35 verschillende jongensnamen gebruikt en 22 verschillende namen voor meisjes. Het overgrote deel van de jongens heeft slechts één voornaam, terwijl van de meisjes ongeveer de helft twee voornamen heeft. Kinderen met drie voornamen komen slechts drie maal voor. De voornamen zijn door de pastoor in het register verlatiniseerd en de daadwerkelijke roepnaam werd niet opgetekend.

Jongens Meisjes
Eerste naam Tweede naam Eerste naam Tweede naam
Joannes 61 Franciscus 5 Maria 166 Catharina 49
Laurentius 45 Josephus 3 Anna 60 Elisabeth 30
Nicolaus 42 Lambertus 1 Joanna 29 Anna 26
Franciscus 26 Ludovicus 1 Elisabeth 21 Maria 19
Petrus 25 Barbara 19 Gertrudis 8
Mathias 24 Catharina 17 Ida 8
Wilhelmus 20 Aleidis 10 Helena 7
Henricus 19 Lucia 7 Mechtildis 6
Egidius 16 Petronella 6 Agnes 4
Gerardus 13 Ida 4 Joanna 4

Huwelijken

In de periode 1734–1797 worden in Heugem 152 huwelijken in de registers ingeschreven. Net als het aantal dopen vertoont ook het aantal huwelijken per jaar een verdubbeling over de onderzochte periode.

Aantal huwelijken Heugem 1734-1797.

Aantal huwelijken Heugem 1734-1797.

De volgende gegevens dienden ingevolge het Concilie van Trent te worden vermeld: namen van de bruid en bruidegom, namen van de getuigen en of er dispensatie was verleend. De ouders van de bruid en bruidegom werden niet vermeld, hetgeen het onderzoek soms bemoeilijkt. De pastoor wijkt in zijn inschrijvingen nauwelijks af van de volgende standaard formule:

[datum] coniunxi matrimonio [bruidegom], et [bruid] coram testibus [eerste getuige] et [tweede getuige]

Inschrijvingen die afwijken van de standaard formulering bevatten vaak aanvullende informatie: Vier huwelijken zijn voltrokken door door leerling pastoors, onder toezicht van Hubertus van Bloer. Een aantal huwelijken zijn voltrokken in andere parochies (Breust, Gronsveld, Maastricht, Sittard, Lanaken en Heer). In sommige inschrijvingen is, indien de bruid of bruidegom niet uit Heugem kwamen, hun plaats van afkomst vermeldt. De pastoor heeft bij slechts twaalf huwelijken geschreven dat deze na drie afkondigingen voltrokken zijn. Alle huwelijken zijn volgens het cannonieke recht echter voltrokken na de drie afroepingen. De pastoor had blijkbaar niet veel zin in deze woorden ieder keer te herhalen zoals blijkt uit een huwelijk in 1767 wanneer hij schrijft: ‘sicut omnes in hoc registro annotatos’ (Zoals voor allen in dit register vernoemd). Huwelijken werden volgens de regels van het Concilie van Trente voltrokken ten overstaan van tenminste twee getuigen. De kerk nam het niet zo nauw met de getuigen, men wilde hier geen eisen stellen uit de vrees dat dan eindeloze problemen zouden ontstaan betreffende de geldigheid van het huwelijk.16 Men trouwde meestal in de parochie van de bruid.17 De pastoor van de toekomstige bruid diende enige onderzoeken te doen voor het huwelijk kon worden gesloten. De eerste vraag was of de toekomstige bruid en bruidegom gedoopt waren. De tweede vraag was of zij bekwaam waren om te huwen. De minimum leeftijd voor jongens was 16 jaar en voor meisjes 14 jaar. Een derde vraag was of er sprake was van zogenaamde huwelijksbeletselen, waardoor dispensatie voor het huwelijk diende te worden aangevraagd.18

Huwelijksdispensaties

Het kerkelijk recht kende verschillende soorten huwelijksbeletselen (impedimenta), zoals het concubaat (samenwonen voor het huwelijk), leeftijd, geestelijke wijdingen, misdaad en verwantschap. Een huwelijksbeletsel is een situatie waarin in principe een huwelijk niet is toegestaan. Wanneer sprake is van een beletsel dient dispensatie te worden verleend voordat het huwelijk kan worden voltrokken. Huwen met dispensatie was een noodzakelijkheid, aangezien vele parochies erg klein waren en men over het algemeen niet ver weg ging om een bruid te zoeken.19 In Heugem zijn in de onderzochte periode dertien huwelijken voltrokken met dispensatie in verband met bloed- en aanverwantschap. Geestelijke verwantschap (cognatio spiritualis) wordt in de onderzochte periode niet vermeldt.20

Bloedverwantschap (consanguinitas), een genetische band tussen de gehuwden, is een beletsel wanneer de echtelieden verwant zijn tot in de vierde graad. De berekening van het aantal graden van bloedverwantschap is eenvoudig: men telt het aantal geboortes tussen de aanvragers en de gezamenlijke voorouders.21 Wanneer er sprake is van een gemengde graad, dan is het aantal geboortes tussen de aanvragers en de gezamenlijk voorouder ongelijk. Een bijzondere toevoeging aan de registers van Heugem is een los stuk papier met een overzicht van de verschillende graden van bloedverwantschap.

Beletselen bestonden ook bij aanverwantschap (affinitas). Deze vorm kan alleen voorkomen bij een tweede huwelijk. Een man was, volgens deze regels, verwant aan de zus van zijn vrouw alsof het zijn eigen zus was. Alle bloedverwanten van de vrouw zijn aanverwanten van de man en vice versa. Volgens het Concilie van Trente was ook deze vorm van verwantschap tot in vierde graad een beletsel.22 Deze situatie komt in Heugem in de onderzochte periode slechts één maal voor (in combinatie met bloedverwantschap). Verder onderzoek zal uitmaken hoe vaak, en tot welke graad, aanverwantschap inderdaad is voorgekomen. Het is waarschijnlijk dat dit groter is dan daadwerkelijk is geregistreerd. De volgende graden van bloedverwantschap komen voor in de Heugemse registers:

Graad Gezamenlijke voorouder Aantal
Eerste Ouders 0
Eerste en tweede 1
Tweede Grootouders 2
Tweede en derde 1
Derde Overgrootouders 2
Derde en vierde 4
Vierde Betovergrootouders 2

Begrafenissen

Het register bevat 394 inschrijvingen van begrafenissen in de onderzochte periode. In gelijke pas met het aantal dopen en het aantal huwelijken, verdubbelen ook het aantal begrafenissen per jaar over de onderzocht periode. Opvallend is het relatief hoge aantal begrafenissen in de periode 1646–1648. De oorzaak hiervan wordt niet in de registers aangegeven. Een oorzaak zou kunnen worden gevonden in het grote aantal epidemieën dat in de achttiende eeuw voorkwam—in het vierde kwart van de achttiende eeuw zijn bijvoorbeeld veel mensen in Zuid-Limburg gestorven zijn aan dysenterie.23 Volgens Gutman leidden op het platteland oorlogshandelingen echter tot een groter aantal sterfgevallen dan epidemische ziekten en misoogsten.24

Figuur 8: Begrafenissen Heugem 1734-1798.

Figuur 8: Begrafenissen Heugem 1734-1798.

De inschrijvingen bevatten soms ook aanvullende informatie over de overledene. Een groot aantal (32%) van de overledenen zijn jonge kinderen (parvalus). Bij sommige inschrijvingen wordt tevens de doodsoorzaak vermeld. Bijna alle inschrijvingen zijn voorzien van opmerkingen met betrekking tot het toedienen van de laatste sacramenten. Bij 13 inschrijvingen wordt de opmerking ‘plotseling overleden’ geplaatst. De pastoor wilde waarschijnlijk uitleggen waarom de laatste sacramenten niet waren toegediend.

Overige Bronnen

Paquaij (2005), Geboren, gehuwd en/of overleden in …

Dit fenomenale werk van Antoon Paquaij bevat een uitgebreid overzicht van alle geboorten (dopen), huwelijken, overlijdens (begrafenissen) in het gebied van de vroegere Rijksheerlijkheid Gronsveld.25 Met name de gegevens van na 1796 geven een mooi doorkijkje naar wat met de inwoners van Heugem gebeurd na de volkstelling.

GenDaLim

GenDaLim, de Genealogisch Databank Limburg, is gepubliceerd door de Stichting Geschiedkunde ‘De Maaskèntj’ te Stein en de Stichting Limburgs Genealogisch Archief te Geleen. De gegevens worden gepubliceerd op cd-rom met voornamelijk gegevens van doop, trouw en begraafregisters van de Nederlandse provincie Limburg. De gegevens bevatten onder andere ook de gegevens van Heugem. Dit zijn de gegevens die oorspronkelijk voor dit onderzoek zijn gedigitaliseerd.

Genlias

GenLias was een landelijke database met de gegevens voor stamboomonderzoek uit de officiële akten van de burgerlijke stand in Nederland. Het is het product van een groot aantal samenwerkende archiefinstellingen in Nederland. Het bestand onder andere bevat de burgerlijke stand van Gronsveld (1798–1922). Deze bron is gebruikt om een doorkijkje te geven naar de periode na 1796, vooral om huwelijkspatronen van de kinderen uit 1796 te bepalen. De gegevens hebben een hoge graad van betrouwbaarheid, aangezien ze onder professioneel toezicht zijn ingevoerd. Sinds 2013 is GenLias vervangen door Wie Was Wie.

Geraadpleegde Bronnen

Archieven

  • Regionaal Historisch Centrum Limburg, Frans Archief, inv. nr. 1037.
  • Regionaal Historisch Centrum Limburg, Doop-, trouw- en begraafregisters, inv. nr. 20.240 (H. Michaël, Heugem).
  • Regionaal Historisch Centrum Limburg, Archief Vrije Rijksheerlijkheid Gronsveld, inv. nrs. 29 & 305.

Internet

  • Genlias, Burgerlijke stand Gronsveld en Sint Pieter.

Secundaire bronnen

  • Boersma, Henk, De bevolking van het kanton Eijsden in 1796 (Maastricht 2002).
  • Paquaij, A.P.L., Geboren, gehuwd, overleden in … Breust—EijsdenGronsveldHeugemMeschOostRijckholtSt. Geertruid 1600 t/m 1905+ (Brunssum 2005).
  • Stichting Limburgs Genealogisch Archief en Stichting Geschiedkunde De Maaskèntj, GenDaLim, Vijfde editie (Stein en Geleen 2004).

Noten


  1. J.M.E. Worms et al., Cultuurwetenschappelijke vaardigheden. Vademecum, derde druk. (Heerlen: Open Universiteit, 1998) 65. 

  2. Ibid. 75. 

  3. Worms et al. (1998) 75. 

  4. SHCL, Frans Archief, inv. nr. 1037. 

  5. Henk Boersma, De bevolking van het kanton Eijsden in 1796, (Maastricht, 2002). 

  6. Boersma (2002). 

  7. R.M.M. Bertrand, ‘Het huishouden in Zuidoost-Limburg in 1796. Structuur, grootte en samenstelling’, in Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg, (Leeuwarden en Maastricht: SHC Limburg, 1995), XL 81. 

  8. Boersma (2002) 20. 

  9. R.J.I. Goossens en A.M.S. van Hees, Beschrijving van de doop-, huwelijks- en begraafregisters ter inzage op het Rijksarchief in Limburg, deel 19, Inventarissenreeks RAL, (Maastricht, 1980). 

  10. A.P.L. Paquaij, Geboren, gehuwd, overleden in . . . Breust – Eijsden – Gronsveld – Heugem – Mesch – Oost – Rijckholt – St. Geertruid 1600-1915+, Tweede druk. (Brunssum, 2005). 

  11. Régis de La Haye, Limburgse voorouders. Handleiding voor genealogisch onderzoek in Limburg, tweede druk. (Maastricht, 1994) 97. 

  12. Ibid. 105. 

  13. P.J.W. van den Berk, Latijn bij genealogisch onderzoek, deel 15, CB Reeks, (Den Haag: Centraal Bureau voor Genealogie, 1997) 38.]. 

  14. de La Haye (1994) 109. 

  15. H.J.L.M. Boersma, ‘De kerkregisters van de RK parochie H Martinus te Breust’, Limburgs Tijdschrijft voor Genealogie, 19 (1991) 50. 

  16. L. de Meuter, ‘Huwelijksvoorwaarden en -beletselen in het oud regime’, Vlaamse Stam, 12 (1976) 80. 

  17. de La Haye (1994) 118. 

  18. de La Haye (1994) 120. Volgens Meuter (1976) is de leeftijd voor de jongen minstens 14 jaar en voor het meisje 12 jaar. 

  19. de Meuter (1976) 73. 

  20. Zie: L. de Meuter, ‘Geestelijke verwantschap’, Vlaamse Stam, 11 (1975), voor meer informatie over deze vorm van verwantschap. 

  21. Régis de La Haye, ‘Huwelijksdispensaties’, Limburgs Tijdschrift voor Genealogie, 10 (1982) 105. 

  22. de Meuter (1976) 74–75. 

  23. Bertrand (1995) 80. 

  24. Myron P. Gutman, War and rural life in the modern low countries, (Assen, 1980). 

  25. A.P.L. Paquaij, Geboren, gehuwd, overleden in … (Brunssum, 2005). 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *